Dementie Referentie Artsen: Webinar bloedbiomarkers bij Alzheimer: wat moeten we onthouden?

Op 18 juni 2026 organiseerde de DRA-projectleiding via Domus Medica een webinar over de rol van bloedbiomerkers in de vroegdiagnostiek van de ziekte van Alzheimer. Neuroloog dr. Frederik Vanhee (AZ Groeninge Kortrijk) en em. prof. dr. Jan De Lepeleire (KU Leuven) lichtten toe wat deze nieuwe ontwikkelingen betekenen voor de huisartsenpraktijk.

Van hersenvocht naar bloed

Jarenlang gold de lumbaalpunctie met meting van amyloïd- en tauproteïnen in het hersenvocht (CSF) als de gouden standaard voor biologische bevestiging van Alzheimer. Deze aanpak blijft wetenschappelijk robuust, maar heeft nadelen: invasief, soms gecontra-indiceerd en duur. De opkomst van plasmabiomerkers – o.a. p-Tau 217 – biedt een minder belastend alternatief. Recente studies in ziekenhuissetting (!) tonen een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk circa 88% en 89% voor p-Tau 217. Twee gevalideerde testen voor deze bepaling werden recent goedgekeurd door het EMA.

Belangrijk bij de interpretatie is de zogenoemde two cut-off approach: waarden (referenties afhankelijk van labo) onder 0,28 pg/mL sluiten Alzheimerpathologie zo goed als uit ("rule out"), waarden boven 0,50 pg/mL bevestigen ze met vrij grote betrouwbaarheid ("rule in"), en tussenliggende waarden vereisen bevestiging via CSF of amyloïd-PET.

Waakzaamheid geboden in de eerste lijn

Prof. De Lepeleire benadrukte dat de pretestprobabiliteit — de kans op de ziekte vóór de test — bepalend is voor de waarde van het resultaat. In een huisartsenpopulatie is die kans veel lager dan in de tweede lijn, waardoor het percentage vals-positieve uitslagen verdubbelt. Dit leidt tot risico op overdiagnose en onnodige verwijzingen.

Bovendien beïnvloeden comorbiditeiten als chronische nierinsufficiëntie, obesitas, zeer hoge leeftijd en medicatie zoals Entresto de resultaten, met opnieuw kans op vals-positieve uitslagen.

De boodschap is dan ook duidelijk: p-Tau 217 is momenteel niet aangewezen in de eerste lijn voor screening of vroegdiagnostiek, voor geruststelling van de "worried well", voor patiënten zonder objectieve cognitieve klachten (MMSE > 24), of voor opvolging van bestaande dementie. We mogen ons ook niet laten verleiden om deze testen uit te voeren buiten een diagnostisch traject om ‘even te kijken’ of om ‘misschien een verwijzing naar de geheugenkliniek te vermijden of te vervangen’. De test is, tot nader order, nuttig in de tweede lijn als minder belastend alternatief voor lumbaalpunctie binnen een diagnostisch traject bij patiënten met een klinisch vermoeden van Alzheimer.

Wat kan de huisarts wél doen?

De huisarts speelt een onmisbare rol in detectie en syndroomdiagnose: observeren over meerdere contacten, cognitieve testen afnemen, rode vlaggen herkennen en verwijzen naar de tweede lijn voor de ziektediagnose (etiologische diagnose). Zie hiervoor de richtlijn 'Diagnostiek dementie in de huisartspraktijk' van 2020. Die ziektediagnose is belangrijk: het verloop en de behandeling verschillen naargelang het type dementie. Nieuwe gegevens (Rosenberg, 2026) tonen bovendien dat slechts circa 3% van de doorverwezen patiënten uiteindelijk in aanmerking komt voor de nieuwe behandelingen zoals lecanemab en donanemab, wat gerichte verwijzing des te belangrijker maakt. Lecanemab werd recent niet goedgekeurd voor terugbetaling in België; voor donanemab wachten we nog op een beslissing.

We ontvingen via de firma van donanemab (Lilly) een neutrale educatieve brochure over amyloïdgerichte behandelingen bij de ziekte van Alzheimer, bestemd voor zorgverleners.

De brochure geeft o.a. een toegankelijk overzicht van het huidige diagnostisch-therapeutische paradigma, de werking en efficiëntie van ziektemodificerende therapieën, het veiligheidsprofiel en klinische implicaties.

De slides van het webinar blijven ook beschikbaar in de bibliotheek van de afgeschermde DRA-community via www.huisartsendementie.be.

Dr. Joke Pauwelyn
Projectleider Dementie Referentie Arts (DRA)