Dagboek van een huisarts in coronatijden

Inhoud

Op stap met Franky D’Argent

Op stap met Anne Marieke Wiggers

Op stap met Anne Marieke Wiggers

Anne Marieke Wiggers is huisarts en vervangarts in Antwerpen. Ze vertelt in Huisarts Nu over haar ervaringen als jonge huisarts in de praktijk, hier en in het buitenland. Sinds de uitbraak van het coronavirus houdt ze ook een dagboek bij. 

I De coronatest (12/3/2020)

Al een paar weken wordt corona regelmatig genoemd in het nieuws en neemt de dreiging toe. In de praktijk betekent dat vooral dat we mensen geruststellen: “Och, nee, u zult wel geen corona hebben. De richtlijnen zeggen immers dat je enkel besmettingsgevaar oploopt als je in Italië, China, Zuid-Korea of Pakistan bent geweest in de voorbije weken en symptomen hebt waaronder koorts. Wees maar gerust, rust goed uit en neem eventueel een paracetamol.” Op de teamvergadering bespreken we hoe ongerust de mensen wel niet zijn en of dat niet allemaal veel te overdreven is. Zelfs kleine kinderen zijn bang voor het coronavirus en willen niet meer in de buurt zijn van andere kinderen die hoesten of niezen, ongerust gemaakt door de media en misschien hun ouders.

Terwijl wij maar mensen blijven geruststellen in hoeverre dat mogelijk is en elke dag strategisch overleg plegen hoe we de patiënten kunnen verder helpen, neemt de dreiging van het coronavirus steeds meer toe. Er komen nu ook besmettingen bij die lokaal hebben plaatsgevonden zonder dat mensen op reis zijn geweest. Voorlopig veranderen onze richtlijnen echter niet.

Tot op 12 maart, dan toch, op de middag een nieuw advies van de Hogere Gezondheidsraad verscheen dat nu alle mensen met verkoudheidsklachten mogelijk geïnfecteerd zijn met het coronavirus, ongeacht hun reisgeschiedenis, voorgeschiedenis of andere symptomen. Deze mensen moeten we zoveel mogelijk adviseren binnen te blijven wat betekent dat we ze ook in de praktijk niet kunnen zien maar telefonisch moeten verder helpen. Een hele aanpassing zo op een donderdagmiddag vlak voor het weekend.

"Ik trek handschoenen aan (terwijl ik twijfel of dit wel nodig is als ik mezelf test) en duw het wattenstaafje voor de test diep mijn neusgat in."

Intussen is het ook niet meer de bedoeling om patiënten met milde symptomen te testen op het coronavirus. Enkel gezondheidswerkers met symptomen moeten worden getest en in afwachting van het resultaat thuisblijven. Nu wil natuurlijk het geval dat ik een flinke snotneus heb, iets waar ik normaal nooit last van heb, maar misschien zat de door de overgang van warm en zonnig Nieuw-Zeeland naar koud en regenachtig België daar voor iets tussen. Op de dag van vandaag betekent dat dat ik effectief getest moet worden. De hele dag twijfel ik of ik dit nu echt wel zal doen want als ik positief test, betekent dat dat ik zeven dagen moet thuisblijven, terwijl ik me helemaal niet ziek voel en dus patiënten en mijn collega’s niet kan helpen. Aan de andere kant wil ik het ook niet op mijn geweten hebben dit virus verder te verspreiden naar patiënten en anderen. Aan het einde van de dag besluit ik mezelf toch te testen; ik trek handschoenen aan (terwijl ik twijfel of dit wel nodig is als ik mezelf test) en duw het wattenstaafje voor de test diep mijn neusgat in. Ik kan een kleine niesbui niet onderdrukken en ben blij dat er geen andere dokter of verpleger voor me zit om mijn niesdruppeltjes in het gezicht te krijgen. Volgens procedure doe ik het wattenstaafje in een buisje, vervolgens in een plastic zakje en daarna nog in drie andere zakjes. Safety first!

Ik fiets naar huis en wacht braaf het resultaat van de test af. Op vrijdagavond heb ik nog altijd niets gehoord en ik bel naar het laboratorium. Ik krijg een paniekerige vrouw aan de lijn die me vertelt dat er enorm veel stalen zijn afgenomen en dat de resultaten vermoedelijk pas zaterdagochtend binnenkomen. Niet zo gek dat er ineens een grote vraag is, denk ik bij mezelf, aangezien alle gezondheidswerkers met milde klachten zich ineens moeten testen.
De volgende ochtend verneem ik dat de resultaten goed zijn en ik dus geen corona heb. Ik slaak een diepe zucht van opluchting en spurt naar buiten, de frisse lentezon in. Terwijl ik buiten een wandeling maak, vraag ik me wel af of dit geen valse geruststelling is. Ik kan immers alsnog corona oplopen in de komende weken en alsnog mensen besmetten. Maar ik besluit me daar even niets van aan te trekken en te genieten van beweging in de buitenlucht.

II Op huisbezoek in vuilniszak (18/3/2020)

Het is de eerste week dat er echt strenge maatregelen zijn genomen om de spreiding van het coronavirus tegen te gaan. In de huisartsenpraktijk betekent dat dat alle niet-dringende consultaties worden afgezegd en dat we zo min mogelijk direct contact hebben met patiënten. Er wordt aan de patiënten gevraagd telefonisch contact met ons op te nemen zodat wij een inschatting kunnen maken van het soort vraag en ook de ernst van de symptomen.

De eerste dag dat deze nieuwe regel ingaat, staat de telefoon roodgloeiend. De onthaalmedewerkers kunnen de toestroom aan telefoontjes amper aan en dus worden ook onze kinesist en maatschappelijk werker ingezet om telefoons op te nemen. De doktersvragen worden aan ons huisartsen doorgegeven, terwijl de verpleegkundigen proberen zoveel mogelijk mensen te woord te staan en verder te helpen. Het is een grote aanpassing van een praktijk waar normaal gezien heel laagdrempelig patiënten worden gezien: over het stadium waarbij we mensen met luchtwegklachten nog wel onderzochten maar alleen indien echt nodig, naar nu het moment waarop we de patiënten zoveel mogelijk uit de praktijk houden.

Dit vergt van iedereen veel inspanning en begrip; natuurlijk van ons als zorgverleners maar zeker ook van de patiënten. In onze praktijk levert dit nog extra veel moeilijkheden op aangezien een groot deel van de patiënten het Nederlands niet machtig is en telefoontjes dus in het gebrekkig Engels, Frans, Spaans maar ook heel vaak met horten en stoten worden gevoerd. Het is niet makkelijk om op die manier een inschatting te maken van de ernst van de situatie.

Soms komt het voor dat we de patiënt toch nog moeten zien om klinisch in te schatten hoe ziek ze zijn en of er medicatie of een verwijzing naar het ziekenhuis nodig is. Uiteraard willen we ten alle tijden voorkomen dat deze patiënten in de praktijk komen omdat dat betekent dat de hele praktijk en ook alle collega’s en andere patiënten besmettingskans oplopen. Daarom hebben we aan het begin van de week besloten dat we bij deze mensen op huisbezoek gaan.

Vandaag spreek ik een jonge vrouw die op maandag ook al gebeld had en die me vertelt dat de symptomen alleen maar toenemen: ze heeft nog altijd koorts, een droge hoest, pijn op de borst en kortademigheid bij inspanning. “Ik voel me ellendig, dokter,” zegt ze met een hese stem waarna ze in een felle hoestbui uitbarst; ik hoor de druppeltjes als het ware in het rond vliegen, “ik weet echt niet meer wat ik moet doen.” Ik stel nog enkele vragen en besluit dat ik op huisbezoek ga: er is momenteel geen reden om haar direct naar het ziekenhuis te sturen maar ik kan ook niet zeker maken dat ze zonder medisch nazicht erbovenop zal komen. Ik pak mijn spullen bij elkaar; de gewone zaken zoals een dokterstas met inhoud maar natuurlijk ook een mondmasker, handschoenen, een beschermbril en ontsmettingsmiddel gaan mee.

"Ik pak een grote vuilniszak en knip er gaten in waar mijn armen en hoofd juist door kunnen."

Daarnaast wordt aanbevolen om bij mogelijk contact met een coronapatiënt ook een schort te dragen. Helaas hebben we die niet in de praktijk liggen, waarop een collega vertelt dat een vuilniszak ook goed is zolang je die achteraf maar weggooit. Ik schiet in de lach maar besef dat het effectief van belang is ook mijn kleding te beschermen.
Ik pak een grote vuilniszak en knip er gaten in waar mijn armen en hoofd juist door kunnen. Bij aankomst bij het rijtjeshuis waar de patiënte woont, spring ik van mijn fiets, bel ik aan en begin me alvast op straat om te kleden. De winterjas gaat uit, de vuilniszak gaat aan. De winterhandschoenen worden ingewisseld voor latex handschoenen en mijn sjaal wordt vervangen door een mondmasker. Terwijl ik de veiligheidsbril opzet, wordt de deur van de woning opengedaan. Ik zie er vermoedelijk lachwekkend uit maar de patiënte neemt het allemaal erg serieus: “Fijn dat u er bent, dokter, en goed dat u uzelf beschermt.”

Ik probeer afstand te houden van de vrouw tijdens de anamnese en het klinisch onderzoek maar besef al snel dat dit moeilijk is. Bovendien bedenk ik me dat door de ernst van de hoestbuien allicht de hele ruimte geïnfecteerd is met virusdeeltjes. Dit virus kan corona zijn maar natuurlijk ook een van de meer bekende virussen zoals griep. Het onderscheid is klinisch niet altijd goed te maken en we kunnen patiënten ook niet meer testen, iets wat bij heel veel patiënten tot ongerustheid en onzekerheid leidt. Na de nodige onderzoeken stelt deze patiënte me dan ook de brandende vraag: “Maar dokter, heb ik nu corona of niet?” Ik licht toe dat we daar geen antwoord op hebben, maar dat de infectie die ze op dit moment heeft, niet ernstig is. Ik raad haar aan veel water te drinken en paracetamol te nemen als ze pijn of koorts heeft. Ik benadruk nogmaals om binnen te blijven en strikte hygiënemaatregelen te nemen zolang ze symptomen vertoont. Nogmaals leg ik de alarmsymptomen uit en benadruk haar dat de meeste corona-infecties mild verlopen en dat vooral voorkomen van verspreiding van het virus nu van belang is. 

Uiteindelijk gaat ze akkoord en is ze gerustgesteld. Ik trek mijn vuilniszak uit en deponeer deze samen met alle andere in een ‘schone’ vuilniszak. Al mijn materiaal dat meeging op huisbezoek, steriliseer ik op de praktijk. Al met al veel gedoe maar voorlopig zijn deze huisbezoeken de enige mogelijkheid om patiënten te zien.
De volgende dag bel ik mevrouw nog eens op en blijkt dat ze zich al veel beter voelt. Ze klinkt opgewekt: “Nu ik weet dat de symptomen niet zo erg zijn, kan ik ineens ook beter ademen, dokter!”

III De coronapost (22/3/2020)

Sinds dit weekend zijn er 'coronaposten' geopend, ook wel triagepunten of triageplaatsen genoemd. Dit initiatief werd gedurende de afgelopen week in noodtempo ontwikkeld en fungeert als tussenstap tussen een telefonisch contact met een patiënt en een verwijzing naar het ziekenhuis. In plaats van in een vuilniszak op huisbezoek te gaan, kun je de patiënten nu dus doorverwijzen naar die posten. Op de triagepunten zijn huisartsen werkzaam die zich vrijwillig opgeven om hier patiënten te zien. Natuurlijk heb ook ik me hiervoor opgegeven als jonge, gezonde arts en is de beurt op zondagochtend aan mij.

Op zaterdagmiddag krijg ik instructies toegestuurd van de organisatie: ik word een kwartier op voorhand verwacht om me volledig te kleden in beschermende kledij in een speciale kleedkamer en vandaar zal ik door een medewerker van Stad Antwerpen begeleid worden naar mijn 'kabinet'. Dat kabinet is uiteraard volledig gereinigd; vanaf dat ik daar binnenstap, kan ik dus niet meer naar het toilet, geen kleding meer wisselen en niet eten of drinken. Ik fiets door de koude ochtendlucht naar de triagepost: dit blijkt uit een drietal gebouwen te bestaan met zicht op het ziekenhuis en de omliggende weilanden.

Een vriendelijke medewerker begeleidt me naar de kleedruimte waar ik in volgorde aantrek: een volledig beschermend pak maat XXL waarin ik zo'n beetje verzuip, schoenbeschermers, een bril, een mondmasker en handschoenen. Als laatste trek ik de capuchon van het pak over mijn hoofd en is er geen stukje huid meer bloot. Allemaal prima voorzorgsmaatregelen maar wel wat benauwend, zeker als blijkt dat de verwarming in het kabinet maximaal aanstaat: ik ben blij dat het geen zomer is! Al snel ontdek ik ook dat het heel onhandig is als je een snotneus hebt aangezien je je mondmasker niet kunt afzetten om je neus te snuiten en je bril continu beslaat. En dat voor vier uur lang...

Nadat ik mij in het kabinet geïnstalleerd heb en ontdekt heb dat een van de twee kanten van mijn bril niet beslaat zodat ik toch nog iets kan zien, klopt mijn eerste patiënt op de buitendeur. Een jonge moeder draagt een kindje van twee jaar oud naar binnen. De moeder heeft een mondmasker op maar haar zoontje weigert dit op te zetten. Terwijl ik probeer te voorkomen dat moeder noch zoontje de deurklink aanraken, laat ik ze plaatsnemen op een stoel tegenover mijn bureau.

Mama vertelt dat Joris gisteren heel kortademig was en nu al drie dagen koorts heeft. De huisarts op de wachtpost heeft telefonisch ingeschat dat het geen goed idee is om dit kindje naar de gewone huisarts te laten gaan maar dat het ook te gevaarlijk is om Joris helemaal niet te zien: de ideale patiënt dus voor dit triagepunt. Het kindje lijkt helemaal niet geschrokken van mijn rare outfit en het feit dat hij mij helemaal niet goed kan zien. Samen met zijn moeder besluiten ze dat ik Dokter Smurf ben, waar ik zeker mee kan leven op deze zondagochtend.

Het kindje blijkt inderdaad koorts te hebben maar gelukkig geen alarmsymptomen te vertonen van een coronavirusontsteking of een andere aandoening. Hij kan nog goed doorademen zonder verhoogde ademarbeid, hij lacht en speelt nog, drinkt en eet nog, plast en kakt nog en de temperatuur daalt goed na toediening van medicatie. Kortom: ik kan de moeder geruststellen en het kindje naar huis sturen. De moeder is blij met dit advies en geeft me mee dat ze toch ook wel blij is dat er even een arts naar haar zoon gekeken heeft; voor veel mensen en vooral voor ouders van jonge kindjes is het vaak moeilijk geruststellen over de telefoon.

Nadat ze het kabinet verlaten en ik erop toekijk dat ze de deurklink niet aanraken, ontsmet ik het hele kabinet waardoor ik het nog benauwder krijg van de alcoholgeur en ik nog altijd niet goed kan ademen door mijn mondmasker. Zo goed en kwaad als het kan, tracht ik alles te ontsmetten, hoewel ik soms twijfel of ik nu echt wel alles ontsmet heb zoals bijvoorbeeld de papieren die op mijn bureau liggen of de pen waarmee ik geschreven heb.

"Terwijl ik probeer afstand te houden, meet ik haar temperatuur en het zuurstofgehalte in haar bloed (saturatie) en probeer ik op de longen te luisteren."

De rest van de ochtend verloopt rustig. Ik zie nog een paar kinderen met ongeruste ouders die ik gelukkig allemaal kan geruststellen en nog enkele mensen met pijn op de borst of kortademigheid die eerder te wijten zijn aan angst of paniek.

Vlak voor het einde van mijn shift komt er echter een 42-jarige patiënte op raadpleging die sinds gisteren plots kortademig is en ook pijn op de borstkas heeft die aan de ademhaling gebonden is. Ze heeft vroeger gerookt maar ze heeft geen voorgeschiedenis van longaandoeningen, diabetes of andere ziekten. Meteen als ze binnenkomt, zie ik dat ze moeite heeft met ademen. Ik vraag haar direct haar jas en trui uit te trekken en zie op haar borstkas dat ze extra spieren gebruikt om te kunnen ademen en dat de frequentie waarmee ze ademt veel te hoog ligt. Terwijl ik probeer afstand te houden, meet ik haar temperatuur en het zuurstofgehalte in haar bloed (saturatie) en probeer ik op de longen te luisteren. Dit laatste is niet echt betrouwbaar omdat ik de stethoscoop over de capuchon van mijn pak moet aanbrengen en ik de longgeluiden niet goed kan beoordelen. Uiteindelijk maakt dat ook niet veel uit: deze patiënte moet sowieso verwezen worden naar de spoed voor verder onderzoek.

Ik leg haar de bevindingen uit en schrijf met hoofdletters SPOEDGEVALLEN op een briefje en stuur haar naar het ziekenhuis dat gelukkig naast de triagepost gelegen is. Ze blijft naar omstandigheden rustig en bedankt me voor het advies. Terwijl ik het kabinet ontsmet en het verslag in de computer afwerk, klopt de volgende patiënte aan de deur.

Ook dit blijkt een relatief jonge vrouw te zijn die nu al voor de achtste dag koorts heeft. Ze heeft effectief dagelijks koorts gemeten en is op advies van de huisarts binnengebleven. Sinds gisteren heeft ze echter ook ademhalingsproblemen en een zware hoest. Ook zij is kort van adem als ze het kabinet binnenkomt, maar begint rustiger te ademen nadat we een paar minuten gepraat hebben. Ik vraag haar of ze snel paniekerig is en of ze tekens vertoont van hyperventilatie (te snel en oppervlakkig ademen door angst of stress) zoals tintelingen in de vingers en rond de mond. Ze zegt dat ze daar geen last van heeft maar wel het gevoel heeft dat haar armen slapen. Ik onderzoek haar en alle bevindingen zijn normaal buiten een hoge koorts. Ik twijfel: is dit een geval van hyperventilatie en paniek bovenop een virale infectie of is er effectief sprake van ademhalingsproblemen door een infectie zoals het coronavirus? Ik leg haar uit dat ik twijfel en dat ik wil dat ze zich laat onderzoeken op de spoedgevallen. Ze begint te huilen en zegt dat ze zo bang is dat haar kinderen het ook krijgen. Ik probeer haar te kalmeren en zeg dat ze op de spoed eerst zullen onderzoeken wat er juist aan de hand is en dat er momenteel geen reden is tot paniek. Haar ademhaling wordt weer moeizamer terwijl ze harder begint te huilen en ik schrijf op een verwijsbriefje ‘spoedgevallen – blijvende hoge koorts, mogelijk respiratoire klachten maar mogelijk ook factor hyperventilatie’. Ik laat haar buiten en ben blij dat ze haar in het ziekenhuis verder zullen onderzoeken; ik ken haar immers niet goed genoeg om de inschatting juist te maken.

En zo komt er een einde aan mijn shift in het triagepunt. Ondanks het lage aantal patiënten die ik heb gezien, heb ik wel het idee dat we op deze manier als huisartsen kunnen bijdragen om de mensen met milde symptomen gerust te stellen en dus weg te houden uit het ziekenhuis, en de mensen met ernstige symptomen verder te laten helpen waar ze de middelen hebben: namelijk in het ziekenhuis. Leve de samenwerking tussen eerste en tweede lijn!

IV Angst in coronatijden (25/3/2020)

Een vriendelijke man, die zelfs na amper een jaar in België zeer goed Nederlands spreekt, presenteert zich op consultatie. Hij is afkomstig uit Syrië en is naar België gekomen met zijn vrouw. Twee maanden geleden hebben ze een gezond en mooi kindje op de wereld gezet. De man heeft last van erge maagklachten die we gelukkig kunnen behandelen in de praktijk.

Aangezien hij geen symptomen heeft die op corona zouden kunnen wijzen en zijn symptomen erg genoeg zijn, is hij welkom in de praktijk voor een onderzoek en behandeling. Op het einde van de consultatie vraag ik hoe het thuis gaat. “Ja, met mij alles goed dokter, maar mijn vrouw is wel boos.” Ik vraag wat hij bedoelt met boos. “Ze kan niet meer zo goed ademen de laatste dagen, maar ze moet niet hoesten ofzo. Misschien is ze bang? Ze komt ook al weken niet meer buiten, ik denk dat dat niet zo goed is.” Ik stel wat verdere vragen over de symptomen en het lijkt me inderdaad niet te gaan over een infectie zoals corona of griep, maar eerder over stressgerelateerde klachten. Maar helaas kan ik dit niet zo beoordelen en is het ook niet mogelijk om de inschatting telefonisch te maken want de vrouw spreekt zelf amper Nederlands. Nadat ik duidelijk heb gekregen dat ze niet ziek is, boek ik voor de vrouw een afspraak. 

De ochtend van de afspraak belt de man op: is het echt wel nodig om te komen? Zijn vrouw is nog altijd kortademig maar ze wil echt niet buiten komen, stel je voor dat ze besmet wordt? Of dat haar kindje iets oploopt bij ons in de praktijk? Ik leg uit dat we onze voorzorgsmaatregelen nemen en dat ik het echt belangrijk vind dat ze langskomt.

Gelukkig heeft ze naar me geluisterd en zie ik haar die middag op consultatie. Tot mijn verbazing zie ik dat zowel de man als vrouw een professioneel mondmasker dragen, dat scheef voor hun mond hangt. Een snelle blik in de Maxi-Cosi leert me dat ze ook het baby’tje hebben geprobeerd een maskertje op te zetten. Ik vraag waarom ze een mondmasker dragen. “Dat is gewoon uit voorzorg, om ons en anderen te beschermen, zeker nu we bij de dokter zijn waar allemaal beestjes rondhangen”, zegt de man. “Waarom vraagt u dat? Wordt het niet aangeraden een masker te dragen? Ik zie zelfs mensen in de auto maskers dragen, en in de supermarkt, en op straat.” Ik val uit de lucht dat mensen extreem gefocust zijn op het virus maar blijkbaar niet hebben meegekregen dat maskers schaars zijn en voorbehouden moeten blijven voor zorgverleners. Ik leg geduldig uit dat dit op dit moment niet de richtlijnen zijn.

"Is er sprake van depressieve symptomen of een angststoornis? Is dit nog een normale reactie op een abnormale periode?"

Hoewel ik het gevoel heb dat de vrouw niet verstaat wat ik zeg, zie ik haar toch het mondmasker voorzichtig wat naar beneden schuiven zodat ik haar beter kan zien. Ze ziet er een stuk magerder en bleker uit dan toen ik haar zes weken geleden zag. Ze lacht me vriendelijk toe maar kijkt me gedurende het hele gesprek amper aan. Het gesprek loopt dan ook voornamelijk via de partner die voor ons allebei vertaalt. “Ze zegt dat ze soms heel moeilijk kan ademen en dat ze bang is corona te hebben. Ik ga gewoon werken en doe de boodschappen dus mijn vrouw zit thuis met de baby en ze gaan helemaal niet naar buiten. Ze lacht bijna nooit meer en ze eet ook amper.” Ik probeer contact te zoeken met de vrouw en mijn vragen, in het Nederlands, tot haar te richten terwijl de lieftallige man blijft vertalen.

Ik stel haar verschillende vragen om te achterhalen hoe erg de klachten zijn: is er sprake van depressieve symptomen of een angststoornis? Is dit nog een normale reactie op een abnormale periode? “Mijn man maakt zich zo ongerust over me, maar ik denk dat het wel meevalt. Ik ben gewoon heel voorzichtig! Soms begin ik wel heel snel te ademen en dan krijg ik tintelingen in mijn vingers. Is dat normaal?” Ik leg haar uit dat dit tekens van hyperventilatie kunnen zijn en dat dat meestal uitgelokt wordt door stress. Ik vraag haar wat ze op die momenten aan het doen is. “Eigenlijk doe ik de hele dag hetzelfde: op mijn telefoon en laptop het nieuws en Facebook bekijken. En dat maakt me wel bang.” 

Ik leg uit dat er heel veel informatie in de (sociale) media komt en dat niet altijd alles correct is wat daar verteld wordt, zoals bijvoorbeeld over het dragen van mondmaskers. Ik zeg haar dat ik het belangrijk vind dat ze in plaats van zichzelf bang te maken door op Facebook te kijken, beter af en toe wat frisse lucht gaat scheppen en een wandeling maakt samen met haar kindje. “Moet dat echt? Ik denk dat ik dan alleen maar banger wordt”, vertaalt de man. Ik twijfel: is hier sprake van moeten? Ik kies ervoor om duidelijk te zijn en haar inderdaad op te leggen dat ze tweemaal daags voor minstens een half uurtje buiten moet. “Okay dan, ik zal het proberen en u volgende week bellen om te laten weten hoe het gaat”, antwoordt de vrouw terwijl ze nu toch oogcontact zoekt. 

Het kleine gezinnetje lijkt tevreden: de papa omdat hij nu weet wat er aan de hand is, het kindje omdat het mondmasker er resoluut is afgehaald door de mama en de vrouw zelf omdat ze een duidelijk advies heeft gekregen. Bij de deur draait de man zich nog even om: “Dus die mondmaskers dragen we niet meer, maar kunt u nog wel handschoenen en handalcohol voor ons voorschrijven want we krijgen dat zo niet bij de apotheek.” Ik zucht en lach tegelijk en besef dat ze misschien toch niet de hele strekking van mijn verhaal hebben begrepen.

V De uitdaging van telefonische consultaties (28/3/2020)

Vannacht doe ik een wacht op de ‘normale’ huisartsenwachtpost, waar patiënten van de hele regio in het weekend terechtkunnen als hun eigen huisarts niet beschikbaar is. Normaal gesproken, in niet-coronatijden, kunnen patiënten hier zonder afspraak langskomen om gezien te worden door een van de huisartsen van wacht. Maar nu moeten de mensen eerst telefonisch contact opnemen met een callcenter voordat ze verder geholpen kunnen worden.

De medewerker van het callcenter schrijft de patiënt in in het systeem en maakt een inschatting of de patiënt al dan niet een arts moet spreken. Vervolgens worden deze patiënten op de bellijst geplaatst van de wachtpost. Waar een normale wacht druk is met consultaties en huisbezoeken, zijn we nu voornamelijk telefoons aan het opnemen en mensen aan het geruststellen. Wat overigens lang niet altijd evident is via de telefoon en al helemaal niet als je de mensen of hun voorgeschiedenis niet kent, in tegenstelling tot de patiënten van je eigen praktijk waarvan je toch al zeker het dossier kunt inzien.

Om half twaalf ’s avonds bel ik naar de vader van een ziek kindje. Hij legt in gebrekkig Nederlands uit: “Kindje heeft hoge temperatuur, alleen vandaag. Kan vrouw paracetamol geven?” Ik zie dat het kindje amper vier maanden oud is en stel wat verdere vragen om de situatie duidelijk te krijgen. Dit kindje is immers heel erg jong om koorts te hebben en heeft zeker de inschatting nodig van een arts. De papa doet zijn best mijn vragen te beantwoorden: “Baby eet nog en doet nog pipi. Draait met ogen beetje raar. Is misschien beetje bang.” Ondanks de onduidelijke omschrijving van de vader, lijkt dit me een serieuze zaak. Ik vraag of er problemen waren met de zwangerschap of de bevalling, waarop de vader stellig ‘nee’ antwoordt.

"Mijn collega zegt vriendelijk dat hij het jongetje zelf direct zou kunnen zien, met de nodige bescherming aan."

Ik zou dit kindje graag zelf willen zien om een inschatting te maken maar dat mag momenteel niet omdat ik mezelf en de wachtpost niet kan beschermen tegen eventuele besmetting. De triagepost waar huisartsen wel in volledige beschermingsoutfit zitten, is enkel overdag open: daar zou ik de patiënt ten vroegste morgenmiddag een afspraak kunnen geven. Ik besluit om de kinderarts van wacht te bellen en om advies te vragen. Als ik telefonisch de situatie uitleg, zegt de kinderarts dat ik ten minste urine moet onderzoeken. Ik antwoord dat dit juist het hele probleem is: ik kan het kindje niet zien dus zit wat met de handen in het haar, figuurlijk natuurlijk want ik probeer volgens de richtlijnen met mijn handen zo min mogelijk mijn hoofd aan te raken. Mijn collega zegt vriendelijk dat hij het jongetje zelf direct zou kunnen zien, met de nodige bescherming aan. Ik geef dankbaar de naam en geboortedatum door van het patiëntje. “Aha, is dat geen deel van een tweeling? Ik denk dat ik het kindje ken,” antwoordt de kinderarts. Ik zeg dat ik geen idee heb omdat ik de familie niet ken. Ik hoor hem door de luidspreker naar zijn collega roepen: “Is dit niet dat kindje dat deel is van een tweeling en die veel te vroeg geboren zijn?” De andere kinderarts bevestigt: “Ja, inderdaad, en dit is het broertje dat vanaf de geboorte al neurologische problemen heeft.” Ik knik en ben blij dat ik het ziekenhuis heb opgebeld: genoeg redenen om het kind door te sturen.

Ik bel de vader van het patiëntje terug en vraag voorzichtig of het klopt dat de jongen een tweelingbroer heeft. De vader bevestigt. Vervolgens vraag ik of het klopt dat de tweeling te vroeg geboren is? “Nee, ik denk niet,” zegt de vader. Ik trek mijn wenkbrauwen op (gelukkig ziet niemand dit) en zeg dat ze zo snel mogelijk met het kindje naar het ziekenhuis moeten gaan.

Een uur later word ik opgebeld door een oudere broer van de tweeling die gelukkig wel goed Nederlands spreekt. “Ik bel om te zeggen dat de temperatuur nu goed is dus dat we toch niet naar het ziekenhuis gaan. Kunnen we misschien paracetamol geven?” Ik schrik omdat ik ervan uitging dat ze allang in het ziekenhuis zouden zijn. Ik leg nogmaals uit dat het heel belangrijk is dat ze wel naar het ziekenhuis gaan en dit zo snel mogelijk. “Maar mijn mama is bang dat mijn kleine broertje dan corona oploopt in het ziekenhuis dus we gaan liever niet.” Ik zoek de juiste woorden om uit te leggen dat het gevaarlijker is om het kind thuis te houden dan om ermee naar het ziekenhuis te gaan. De jongen aan de andere kant van de telefoon lijkt het te begrijpen en vertaalt het naar zijn ouders. Ik vraag nogmaals of ze dan nu direct naar het ziekenhuis zullen vertrekken? “Ja, mama heeft haar jas al aan en papa staat klaar met de sleutels. Nu alleen zien dat ze mijn kleine broer niet vergeten mee te nemen!”

VI Een oneerlijke keuze tussen werk en familie (1/4/2020)

Een mooie jonge vrouw van Noord-Afrikaanse afkomst zit voor me in de consultatieruimte. Ze heeft last van migraineaanvallen en is dus een van de weinige patiënten die nog op raadpleging mag komen in deze coronatijden. Ik zie dat ze twee weken geleden met gelijkaardige klachten bij mijn collega is geweest en toen een ziektebriefje kreeg voor een paar dagen. “Maar u moet weten dat ik dat briefje toen niet gebruikt heb, dokter, ik ben de volgende dag direct terug gaan werken. Ik heb gewoon een extra pijnstiller genomen en toen ging het best om te werken! Ik wil mijn collega’s immers niet in de steek laten.” 

Ik vraag naar haar werk en ze vertelt met een brede lach dat ze als zorgkundige in een ziekenhuis werk. “En ik ben zo blij dat ik nu kan werken en er voor mensen kan zijn. Ik word echt gelukkig als een patiënt me bedankt en mijn collega’s blij zijn met mijn hulp.” Ik beaam haar gevoel als zorgverlener er voor mensen te kunnen zijn. Ik vraag hoe het komt dat ze de laatste tijd zoveel migraineaanvallen heeft? “Ik heb toch wel veel stress, weet u? Ikzelf ben eigenlijk helemaal niet bang voor corona-infecties en ga nog met plezier naar mijn werk, met de nodige bescherming: dat wel. Maar mijn man is zo bang! Hij denkt dat ik van mijn werk allemaal virussen en bacteriën mee naar huis neem en zo hem en onze zes kinderen ziek maak. Elke keer als ik thuiskom, moet ik me direct omkleden, alle kleding in de was gooien en me helemaal ontsmetten: anders mag ik mijn eigen huis niet in.”

Ze begint te huilen en vraagt of ze een tissue mag pakken. Ik knik en vraag haar hoe het komt dat haar man zo angstig is. “Ik heb geen idee, normaal is hij helemaal niet zo, maar nu met het coronavirus zou hij het liefst willen dat ik, net als hij en de kinderen, me de hele dag opsluit in het huis. Hij denkt dat we zo een veilige bubbel creëren en dat niemand van ons ziek kan worden. Als ik thuiskom van mijn werk, zegt hij dat ik de hele familie ziek maak en dat er binnenkort een van ons zal sterven aan corona.” Ik schrik: dit lijkt me wel een erg overdreven reactie en zelfs een gevaarlijke situatie. Als de man zo’n gedachten heeft, duurt het natuurlijk niet lang voordat de kinderen ook angstig worden. Mevrouw beaamt dat: “Mijn kinderen zijn ook bang en denken dat ik enkel ga werken om mijn collega’s niet teleur te stellen, maar dat ik op die manier ziektes mee naar huis breng. Ze komen zelf ook helemaal niet buiten, maar gelukkig hebben ze genoeg schoolwerk dus ze houden zich goed bezig.”

"Als u tussen uw familie en uw werk moet kiezen: wat kiest u dan? Als u heel eerlijk bent?”

Ik vraag haar hoe ik haar kan helpen. “Ik weet het echt niet, dokter. Maar als u tussen uw familie en uw werk moet kiezen: wat kiest u dan? Als u heel eerlijk bent?” Ik zeg dat ik me daar niet over zal uitspreken maar vraag haar wat zij zou kiezen. “Mijn man heeft gezegd dat ik niet meer welkom ben thuis zolang ik blijf werken. Met andere woorden zou ik dus scheiden en mijn kinderen niet meer zien als ik blijf doorwerken. Maar ik doe mijn werk zo graag!” Ik twijfel hoe ik hier diplomatiek op kan reageren zonder mijn mening te veel te laten doorschemeren. Ik leg uit dat ik denk dat de thuissituatie ongezond is en dat ik niet denk dat wegblijven van het werk goed is voor haar gezondheid. “Maar wilt u me dan niet helpen?” roept ze ineens kwaad uit. “Ik dacht dat dokters er waren om me te helpen. Ik ben in de laatste twintig jaar nog nooit langer dan een dag ziek thuisgebleven, dus ik maak echt geen misbruik van het systeem, en nu wilt u me geen briefje geven?” 

Ik probeer mijn rust te behouden en vertel haar dat ik haar juist wel wil helpen maar dat ik niet denk dat arbeidsongeschiktheid hier de aangewezen oplossing is. “Maar dan vraag ik u nogmaals: wat zou u dan kiezen als u tussen uw job en uw kinderen moest kiezen?” Ik probeer de vraag weer te omzeilen en zeg dat ik denk dat ik moeilijk een ziektebriefje kan schrijven voor mevrouw aangezien zij helemaal niet ziek is en dat het probleem eerder haar man is en dat we die moeten proberen te helpen. “Ja, maar hoe denkt u dat dan aan te pakken? Op dit moment kunnen we daar toch niets aan doen? Dus echt, geef me gewoon een briefje en ik zal thuisblijven.” Ik besef inderdaad dat het heel moeilijk wordt iets aan de situatie te doen als de man zelf niet inziet dat hij een probleem heeft en een ongezonde situatie veroorzaakt voor het hele gezin.

Ik stel voor om een briefje te schrijven voor de rest van de week en haar begin volgende week terug te zien. Op die manier heeft ze een paar dagen de tijd om van haar hoofdpijn te herstellen en om te voelen hoe het is om thuis te zijn. Wel raad ik haar met klem aan dat ze elke dag minstens een uur naar buiten moet, en liefst alleen, om frisse lucht in te ademen en haar gedachten wat op een rijtje te zetten. Ze kijkt me ondeugend aan: “Dan zal ik maar al op zoek gaan naar een vluchtroute, want via de gewone deur laat mijn man me nooit buiten!” En zo sluiten we het consult toch nog lachend af.

VII Een sprakeloze patiënt (13/4/2020)

Ik bevind me vandaag weer eens op de triagepost. Het is opmerkzaam rustiger dan een paar weken geleden. Als ik aan kom fietsen om negen uur, blijkt de eerste patiënt er pas om tien uur op te staan en is er nog tijd voor een koffie met de medewerkers van Stad Antwerpen die de werking van dit triagepunt in goede banen leiden. We kletsen wat en hebben gesprekken over corona, onze jobs maar ook over Pasen en de Koran, met respect voor social distancing én mondmasker (wat het drinken van de verse maar smakeloze koffie overigens wel bemoeilijkt). 

Om kwart voor tien hijs ik me weer in de volledige outfit, waarbij ik wederom twijfel over de volgorde van de hele procedure: eerst het pak aan (maat XXL, nog altijd geen veranderingen daar), handschoenen, schoenenbeschermers, mondmasker, veiligheidsbril, capuchon over hoofd, en natuurlijk tussen elke stap ontsmetten van de handen. Geen evidentie. Weer blijkt het moeilijk om mijn bril onbeslagen te laten maar gelukkig is het dit keer wel kouder dan de vorige keer en ben ik me niet kapot aan het zweten onder de verschillende lagen. 

In deze CSI-achtige outfit waan ik me naar de consultatieruimte. Nadat ik heb plaatsgenomen achter mijn bureau, klopt al snel de eerste patiënt op de deur. Ik lees in de nota’s van een collega-huisarts dat deze relatief jonge man al tien dagen koorts heeft, moet hoesten en algemeen onwel is. Ik laat de jongeman binnen en hij volgt mijn instructies op: de deurklink niet aanraken, op de stoel in de hoek gaan zitten, niets op de onderzoekstafel leggen, handen ontsmetten. Als hij zit, vraag ik hem of hij kan vertellen wat het probleem is. Hij kan op de een of andere manier niet antwoorden en begint op een papiertje te schrijven. Ik lees in de verwijsbrief niets van neurologische problemen of andere redenen waarom hij niet zou kunnen spreken. 

"Ik probeer van op 1,5 meter afstand in zijn mond te loeren maar dit blijkt onmogelijk."

Heeft hij misschien schrik om te spreken met mondmasker op? “Neeje,...”, weet hij uit te brengen en wijst naar zijn keel. Dat verklaart: hij heeft blijkbaar keelpijn en koorts en heeft daarom zijn dokter gecontacteerd. Ik stel nog wat vragen en probeer creatief te zijn met gesloten ja/nee vragen zodat hij zo min mogelijk moet opschrijven. Ik ga over op het klinisch onderzoek en ondanks de algemene raad om niet in iemands mond te kijken (dat is immers een ‘aerosol-producerende handeling’ met hoog besmettingsrisico), kan ik in dit geval niet anders dan de jongeman vragen zijn mondmasker af te doen en zijn mond te openen. 

Ik probeer van op 1,5 meter afstand in zijn mond te loeren maar dit blijkt onmogelijk: het is te ver weg om de tongspatel te gebruiken om achterin zijn keel te kijken en de patiënt zelf kan zijn mond amper openen van de pijn en de zwelling. Ik stap dichterbij en probeer zijn tong naar beneden te duwen wat onhaalbaar blijkt te zijn: de hele bovenwand van de mond is rood en gezwollen en zijn amandelen rijken tot voor in zijn mond. Een heel spectaculaire ontsteking van de keel zoals ik zelfs in Nieuw-Zeeland nooit zag. Het kan niet anders of dit is een abces, wat opengesneden moet worden. Bovendien heeft de jongen nu al voor de tiende dag koorts en vandaag meet ik inderdaad opnieuw 38,5 graden. 

Ik laat hem terug plaatsnemen in de hoek, ontsmet mijn handen zo goed mogelijk en stel een verwijsbrief op voor de NKO-arts. Ik leg de patiënt uit dat dit een heel zware ontsteking is en dat hij hiervoor zo snel mogelijk naar het ziekenhuis moet: met tabletten antibiotica gaan we dit sowieso niet kunnen oplossen, als hij die überhaupt al zou kunnen slikken. Hij knikt en schrijft op een briefje: “Ik dacht al wel zoiets, maar ik durfde eigenlijk niet eerder naar de dokter te bellen met dat hele coronagebeuren.” Dat bevestigt inderdaad het gevoel van de meeste zorgverleners: mensen wachten vaak (te) lang met een hulpverlener te contacteren. 

Ik geef de jongen een verwijsbrief mee voor de spoedgevallen, gericht aan de collega NKO-arts, maar kan helaas zelf niet bellen naar de collega aangezien ik geen telefoon in mijn kabinet heb. Ik schrijf zoveel mogelijk informatie op de papieren verwijsbrief (hoelang is dat geleden dat ik dat nog gedaan heb!) en hoop dat de collega er aan uit kan. Van de patiënt zelf kunnen ze immers niet veel communicatie verwachten...

VIII Partnergeweld (15/4/2020)

Het aantal telefoontjes en ook verzoeken voor consultaties is sinds deze week duidelijk weer toegenomen. Mensen met niet-acute klachten hebben we een paar weken kunnen geruststellen en kunnen vermijden te zien, maar bepaalde klachten kunnen we niet blijven negeren. Zo zijn er veel mensen met fysieke klachten zoals subacute rugpijn of kniepijn, maagzuur, gewichtsverlies of hoge bloeddruk. Daarnaast spreken we ook meer mensen met chronische psychische klachten die, over het algemeen, niet verbeteren in de huidige ‘lockdown light’ toestanden. 

Het meeste proberen we nog altijd telefonisch op te klaren en voor de mensen die we toch op consultatie zien, uiteraard nadat coronasymptomen uitgesloten zijn, gelden strenge regels: maximaal één patiënt mag per half uur in de praktijk aanwezig zijn, de arts/verpleegkundige die de patiënt ziet, draagt een mondmasker en handschoenen en houdt voldoende afstand waar mogelijk (niet evident als zorgverlener!) en we geven de patiënt ook een mondmasker. Over het algemeen gaat dit redelijk goed, al levert de communicatie met anderstaligen vaak problemen op. Waar normaal gezien een familielid of vriend(in) mee kan komen tolken voor mensen die het Nederlands, Frans of Engels niet machtig zijn, moet de patiënt nu alleen gezien worden om de kans op besmetting zo klein mogelijk te houden. Het enige voordeel is dat er geen huilende en spelende kinderen in je kabinet rondlopen, terwijl je probeert te communiceren met de ouders. 

Op het einde van een relatief rustige namiddag vraagt de verpleegkundige of ik nog een patiënte wil zien. Dit is een nieuwe patiënte in de praktijk en blijkt een jonge vrouw te zijn van Noord-Afrikaanse afkomst. Ze is twee jaar geleden getrouwd en verhuisd naar België en heeft op korte tijd twee kinderen gekregen. Ze spreekt vooral Arabisch en een beetje Berbers. Mijn collega zegt dat hij vooral via Google Translate een en ander te weten is gekomen. Ook had de jonge vrouw hem op haar gsm foto’s van verwondingen op de armen en het hoofd getoond. 

Er blijkt sprake te zijn van partnergeweld: de vrouw verklaart dat ze regelmatig wordt geslagen door haar partner. Mijn collega vraagt of ik even met haar kan praten en een ‘attest van slagen en verwondingen’ kan opstellen voor de politie. “Oh ja”, voegt mijn collega nog toe, “ze heeft ook wel echt een snotneus en snapt niet goed dat ze het mondmasker moet ophouden, maar ik denk toch echt wel dat ze gezien moet worden.” We besluiten dat zij in hetzelfde kabinet blijft zitten en dat ik me naar daar verplaats. 

"Ik ben bezorgd over haar kinderen maar ze benadrukt me dat haar man de kinderen niet mishandelt of verwaarloost."

Bij binnenkomst in het kabinet probeer ik in een boog van 1,5 meter om haar heen te wandelen en plaats te nemen tegenover haar. Ze knikt me achter haar mondmasker met een warme blik toe en zegt ‘bedankt’. Ik stel haar enkele vragen in het Nederlands en het blijkt dat ze de basisvragen wel begrijpt, maar helaas niet kan antwoorden. Ze pakt haar gsm erbij, opent Google Translate en spreekt in het Arabisch iets in. Vervolgens toont ze mij haar schermpje waarop haar zinnen in het gebrekkig Nederlands worden vertaald. Een weinig persoonlijke manier van communiceren natuurlijk, maar als we het hebben over het geweld van haar partner, barst ze in tranen uit en kijkt ze overrompeld naar de grond. Ik zoek haar blik en probeer in Tarzan-taal duidelijk te maken dat we haar zullen proberen te helpen en dat het heel goed is dat ze is gekomen. 

Ze knikt me dankbaar toe en vindt terug adem om in haar toestel te spreken. De computer vertaalt: “Probleem is ik heb geen papier, politie en dokter kan niet helpen. Niemand kan helpen want geen papier.” Ik denk dat ik begrijp wat ze bedoelt: ze heeft inderdaad nog geen Belgische identiteitskaart en dus weinig rechten in België. Ze laat haar trouwakte zien die gedateerd is in januari 2018. Ik verbaas me opnieuw: duurt het dan zo lang om rechten te krijgen als buitenlander? “En ik wil weg bij man, maar ik heb kinderen, en ik heb geen papier dus kan niet weg,” vervolgt ze via het vertaalprogramma. Wat een ongelooflijk frustrerende situatie moet dat zijn. 

Ik ben bezorgd over haar kinderen maar ze benadrukt me dat haar man de kinderen niet mishandelt of verwaarloost. “Man haat alleen mij, is verliefd op kinderen.” Dat is dan tenminste nog iets, denk ik in mezelf. Haar partner blijkt een job te hebben en momenteel ook gewoon nog aan het werk te zijn. “Ik ben blij, anders meer slagen.” Dat is inderdaad wat ik vandaag ook in de krant las: door de uitzichtloze situatie van mensen vindt er nu meer huiselijk geweld plaats dan ooit en daarvan bereikt natuurlijk maar de top van de ijsberg de hulpkanalen... 

Ze toont me haar verwondingen en ik maak een medisch attest op voor de politie. Ik hoop dat hier effectief iets mee gedaan wordt, maar mevrouw zelf heeft er weinig vertrouwen in aangezien ze ‘geen papier’ heeft. Ik leg via Google Translate uit dat ik haar casus zal bespreken met mijn collega’s en zal zien wat we voor haar kunnen doen. 

In dit soort situaties ben ik zo dankbaar om in een wijkgezondheidscentrum te werken waar ik deze zware last niet alleen moet dragen maar mijn meer ervaren collega’s, zeker op sociaal vlak, kunnen meedenken. Ik vraag haar een week later opnieuw een afspraak te maken. Ze gaat akkoord maar vraagt wel voor een afspraak tijdens de werkuren van haar man: “Als hij weet dat ik naar dokter ga, wordt hij boos...” Nadat mevrouw is buitengegaan, ontsmet ik het kabinet en de deurklinken en hoop ik dat we iets voor mevrouw kunnen betekenen, al is het maar een veilige plaats om haar verhaal te doen, in corona of niet-coronatijden. 

IX Een specialistisch advies (20/4/2020)

Op mijn terugbellijst staat een patiënte die enkele vragen heeft over haar man. Ik open het dossier van de man en zie dat hij via de triagepost naar het ziekenhuis verwezen is wegens een verhoogde hartslag (tachycardie). De verslagen van het ziekenhuis kan ik jammer genoeg nog niet raadplegen. Ik bel de vrouw op en ze begint snel te babbelen: haar man ligt in het ziekenhuis en is vandaag COVID-positief getest. Hij heeft geen nood aan beademing en ligt niet op de intensieve zorgen. Hij ligt uiteraard wel op de COVID-afdeling en niemand mag hem bezoeken. “Gelukkig mag ik wel met hem bellen”, voegt ze er direct aan toe, “en vandaag moet hij kiezen of hij een behandeling wil met malariamedicatie of niet. Maar hij kan dat natuurlijk niet zelf beslissen, dus vroeg hij of ik jullie wilde vragen of die behandeling aangeraden is. Hij heeft natuurlijk wel wat andere ziekten dus ik wilde zeker met de huisarts bespreken of het wel aangeraden is om deze zware medicatie op te starten. Het is toch ook nog niet aangetoond dat het helpt?” 

Ik vraag haar in welk ziekenhuis de man ligt en stel haar gerust dat de artsen in het ziekenhuis ook aan zijn dossier kunnen en dat ik er alle vertrouwen in heb als zij de behandeling voorstellen, dit ook aangeraden is. De dame twijfelt duidelijk over de kennis van de specialisten: “Ja, maar zij kennen mijn man toch niet echt zo goed als jullie? Misschien kunt u eens bellen met de dokter in het ziekenhuis om te overleggen en dan ook ineens mijn man opbellen om te zeggen wat jullie denken?”, stelt ze nogal dwingend voor. Ik antwoord dat ik wat opzoekwerk zal doen en haar man dan zelf zal opbellen om te overleggen. Ze gaat gelukkig akkoord. Het is interessant dat deze dame zoveel vertrouwen in ons heeft want enerzijds heb ik de patiënt zelf nog nooit gezien en anderzijds weet ik helemaal niet veel van de specialistische kant van de behandeling van corona. 

"Het is nogal raar hier in het ziekenhuis helemaal alleen. Ik wilde toch graag het advies van de huisarts."

Samen met mijn collega bekijk ik de COVID-behandelrichtlijn van de ziekenhuizen, die we gelukkig vlot kunnen terugvinden. We lezen dat hydroxychloroquine (medicatie die gekend is voor gebruik bij patiënten met reumatologische aandoeningen) inderdaad wordt toegediend aan coronapatiënten met ernstige klachten en in overleg ook aan in het ziekenhuis opgenomen patiënten met matige klachten. Uiteraard is de opvolgperiode nog te kort en zijn de studies eigenlijk te klein om conclusies te trekken, dus is deze behandeling semi-experimenteel. Er zijn voor deze man geen contra-indicaties voor de medicatie. 

Nadat ik zeker ben dat ik de informatie goed begrepen heb, bel ik de man op. Hij reageert heel vriendelijk: “Dank u, dokter, dat u me zo snel kunt opbellen. Het is nogal raar hier in het ziekenhuis helemaal alleen. Ik wilde toch graag het advies van de huisarts, want ik sprak de dokter van de afdeling vandaag en die vroeg me om een papier te tekenen zodat de behandeling gestart kan worden. Maar ik kon weinig vragen stellen want ik sprak die dokter over de telefoon, en hij zei dat ik snel moet kiezen of ik de behandeling wil of niet.” Terwijl ik me afvraag waarom de dokters de kamer niet binnenkomen voor verdere uitleg, benadruk ik aan de man dat wij echt wel vertrouwen hebben in de collega’s in het ziekenhuis en dat als zij een bepaalde behandeling aanraden, wij daar meestal weinig tegen in te brengen hebben. 

Ik beantwoord vervolgens de vragen van de man zo goed en zo kwaad als het kan. Hij lijkt vooral ongerust over mogelijke bijwerkingen en over de behandelduur. Na een kort gesprekje concludeert hij: “Dus ik kan het papier gewoon tekenen en de behandeling laten doorgaan?” Ik antwoord dat het natuurlijk nog altijd zijn eigen keuze is maar dat ik geen reden zie om het geen kans te geven. “Okay”, zegt hij duidelijk opgelucht, “dan teken ik het papier vandaag nog zodat ze de behandeling kunnen starten!” Ik bevestig dat me dit een verstandig plan lijkt. De nu goedgezinde man vervolgt: “En bedankt voor jullie advies. Het heeft me goed geholpen ook al was het natuurlijk ook telefonisch net als het gesprek met de specialist. Maar fantastisch dat jullie dat als huisartsen ook allemaal weten en ons kunnen helpen.” Ik vertel de man maar niet dat ik het ook heb moeten opzoeken omdat ik geen idee had wat de richtlijnen of adviezen waren rond specialistische zorg voor corona. 

X Weigering van een coronatest (6/5/2020)

Vanaf deze week kunnen alle patiënten met klachten die op corona zouden kunnen wijzen, op de triagepost getest worden. De week voor dit besluit wordt genomen, breekt er lichte paniek door in de praktijk: wat betekent dit voor ons? Gaan dan opeens al onze patiënten getest willen worden, aangezien iedereen zoveel schrik heeft voor corona? Zou dat betekenen dat patiënten dan symptomen ‘faken’ om maar getest te kunnen worden? Hoe gaan we hiermee om? 

Enkele dagen nadat de testing is uitgebreid, blijkt echter dat we er volledig naast zaten. De meeste mensen willen zich helemaal niet laten testen en al helemaal niet op zo’n triagepost ‘waar ze dan vermoedelijk corona zullen oplopen’. Zo ook Jasna, een jongedame die rechten studeert en met haar vele broers en zussen bij haar ouders woont. Op een woensdagochtend belt ze me op. “Ik heb sinds gisteren koorts en moet ook wel fel hoesten. Kan ik op consultatie komen?” Ik leg uit dat dit helaas nog altijd niet mogelijk is en dat we alle mensen met mogelijk corona naar de triagepost sturen. 

“Maar dit is zeker geen corona, hoor, ik moet gewoon wat hoesten. En die koorts valt best wel mee,” zegt Jasna zelfzeker. Ik doe de uitleg dat corona zich op allerlei manieren kan presenteren en dat het dus zeker niet is uitgesloten dat ze besmet is. “Maar ik ben helemaal niet buiten geweest de laatste weken! Ik ben altijd netjes binnengebleven en heb me aan de regels gehouden. Nee, het is zeker geen corona. Kan ik toch geen afspraak krijgen?” Ik hou voet bij stuk en zeg dat ik bovendien graag zou hebben dat ze zich laat testen. Mijn uiteenzetting dat het belangrijk is om te weten of ze besmet is met het virus, niet alleen voor zichzelf maar ook voor haar familie en de rest van de bevolking, dringt niet echt tot haar door. “Goh, nee, bedankt. Ik laat me liever niet testen en al helemaal niet op zo’n triagepost want ik heb gehoord dat je daar juist corona kan oplopen. Daar komen toch alle coronapatiënten? Wat zou ik daar dan als gezonde patiënt gaan doen? Besmet worden met het virus door een dokter? Nee dank u vriendelijk.” 

"Blijkbaar was mijn uitleg toch niet overtuigend genoeg en hebben patiënten allerlei redenen om zich vooral niet te testen."

Ik stel nog wat vragen om de ernst van de situatie in te schatten die inderdaad goed mee lijkt te vallen. Ze moet van mij dus geen dokter zien op de triagepost. Maar uiteraard is het wel van belang dat ze zich laat testen door een verpleegkundige. Ik vertel haar hoe het eraan toe gaat met zo’n coronatest en dat het eigenlijk gewoon een drive-in is waar ze in haar auto kan blijven zitten en dus weinig risico loopt. “Maar elk risico is een risico, toch? Dan blijf ik liever veilig thuis.” Ik vertel haar dat ik alle formulieren zoals het papier voor haar studentenjob en de attesten voor haar familieleden die immers ook in quarantaine moeten blijven, kan mailen zodat ze de deur niet uit moet maar dat ik dan wel wil dat ze zich laat testen. “Okay, als het echt moet, geef me dan maar een afspraak op die post,” geeft ze zuchtend toe. Ik maak alle papieren in orde – wat overigens ongelooflijk veel werk is en meer tijd vraagt dan een normale consultatie – en mail ze naar haar. Een dag later komt er een verslag binnen van de triagepost dat de patiënte helaas niet op afspraak is verschenen... 

Blijkbaar was mijn uitleg toch niet overtuigend genoeg en hebben patiënten allerlei redenen om zich vooral niet te testen. In hoeverre is het onze verantwoordelijkheid om die patiënten wel te laten testen en hen ervan te overtuigen dat ze binnen moeten blijven zolang ze symptomen hebben? Kunnen we mensen dwingen om thuis te blijven en zich te laten testen? Moeten we mensen toch in onze eigen praktijk laten testen om de drempel te verlagen? Dit zijn vragen die ik me de afgelopen weken regelmatig heb gesteld en waar ik nog altijd geen pasklaar antwoord op heb. 

XI Maar hoe zit het dan met mijn heup? (12/5/2020)

Een lief oud dametje zit in de stromende regen buiten op me te wachten. Het is de eerste dag slecht weer na een periode van prachtig lenteweer. Ik werk vandaag op de triagepost en de agenda staat behoorlijk vol. Ik werk de patiënten netjes een voor een af, waarbij ik merk dat het moeilijk is om binnen de 15 minuten zowel de patiënt te onderzoeken, te testen, papierwerk in orde te brengen als het kabinet te laten ontsmetten. Dus loop ik tegen het einde van de shift altijd een kwartiertje uit. Helaas is de laatste patiënte vandaag een oude maar kwieke dame van 89 jaar die een half uur te vroeg was op afspraak. Daardoor zit ze nu al 45 minuten te wachten, gelukkig wel beschermd tegen de regen door de partytent die dienstdoet als wachtzaal maar niet tegen de snoeiharde wind. 

Ik roep haar binnen en ze schuifelt langzaam mijn kant op. De triagepost is een omgebouwde container met een hoge opstap en ze geraakt met haar wandelstok amper het trappetje op. Bovendien is de trap door de regen ook nog nat en ze vraagt me of ze mij een arm mag geven om veilig naar binnen te kunnen. Ik zie in de omgeving niemand anders die haar zou kunnen helpen. Ondanks dat ik natuurlijk een heel beschermingspak aan heb en me zoveel mogelijk aan de regels probeer te houden, zwicht ik toch en help ik deze lieve dame door mijn arm aan te bieden. Het is immers toch mijn laatste patiënt. Ik heb liever niet dat ze hier struikelt en haar heup breekt: dan zijn we nog verder van huis en moet ze zeker naar het ziekenhuis. 

"Het voelt raar aan om als huisarts deze rol aan te nemen en de patiënten niet in al hun facetten te kunnen bijstaan."

Ze komt wankel het kabinet binnen en neemt plaats op de rode stoel in de hoek. Haar mondmaskertje doet ze resoluut af eens ze neerzit. Ik vraag haar vriendelijk het mondmasker toch terug op te zetten en haar handen te ontsmetten. “Maar ik ben nu toch binnen, dan is dat mondmasker toch niet meer nodig?” Ze is niet de eerste vandaag die deze gedachte heeft en ik vraag me af of de omgeving van de triagepost en mijn volledig bedekkende outfit dan geen indruk achterlaten? Rustig vertel ik dat het heel belangrijk is dat ze het juist nu wel opzet en gelukkig volgt ze direct mijn advies. Ik vraag haar hoe het gaat maar ze verstaat me niet goed dus ik moet mijn vraag drie keer herhalen. Uiteindelijk heeft ze me verstaan. “Ja goed, maar het is wel erg koud vandaag zeg! Ik had al koorts maar intussen zal ze wel terug gedaald zijn met al die wind in dat tentje.” Ik voer het onderzoek uit en stel vast dat ze inderdaad goed ziek is maar gelukkig niet ziek genoeg om naar het ziekenhuis te moeten. 

Aangezien alles nogal veel tijd heeft gekost bij deze dame en ik sowieso al een kwartier uitliep, sta ik al op om haar naar buiten te helpen. “Maar, dokter, nu heeft u nog altijd niet naar mijn heup gekeken! Ik heb toch zoveel pijn in mijn bovenbeen en denk dat dat van mijn heup komt. Ik wilde graag eens weten wat u ervan dacht. Het is al zo lang bezig maar het wordt alsmaar erger...” Voordat ze haar hele verhaal kan doen, moet ik haar onderbreken. Als ‘gewone’ huisarts had ik er allicht meer tijd aan besteed of haar gerustgesteld en terug laten komen op consultatie. Nu moet ik echter anders handelen en vraag ik haar vriendelijk dit verder met haar eigen huisarts te bespreken aangezien ik hier enkel ben voor de klachten die mogelijk aan corona gelinkt zijn. 

Terwijl ze mankend door de regen uit het zicht verdwijnt, vraag ik me af of ik misschien te veel vertrouwen gewekt heb door haar in het begin het trappetje op te hebben geholpen? Of kon ze zelfs door mijn witte smetteloze pak en bedekte gezicht merken dat ik over het algemeen een geduldige dokter ben? Hoe het ook zij, het voelt raar aan om als huisarts deze rol aan te nemen en de patiënten niet in al hun facetten te kunnen bijstaan. 

XII Een zorgverlener in de problemen (1/6/2020)

Tijdens mijn shift op de huisartsenwachtpost krijg ik een telefoontje binnen van een jongeman die sinds gisteren felle keelpijn en koorts heeft. Aan de telefoon hoor ik al dat hij moeilijk kan spreken en hij vertelt me dat slikken ook moeilijk gaat. Aangezien het al avond is en de afspraken op de triagepost pas de volgende dag weer beschikbaar zijn, raad ik hem aan voldoende pijnstilling in te nemen en schrijf ik een voorschrift voor een ontstekingsremmer die ik hem per e-mail opstuur. Ik boek een coronatest in op de triagepost voor de volgende dag en breng alle papieren in orde. 

Op het einde van het consult vraagt hij nog of zijn partner nu ook moet thuisblijven. Ik bevestig dat zij inderdaad ook best thuisblijft in isolatie zeker totdat zijn testresultaten gekend zijn. “Ja, dat dacht ik al. Nu is het bizarre dat ook zij keelpijn heeft en heel moe is, eigenlijk al de hele week. Maar ze werkt in een rusthuis en moet van haar baas gewoon komen werken.” Ik licht toe dat het advies volgens de huidige richtlijnen toch echt is dat ook de partner thuisblijft en dat zij in principe ook getest moet worden. De man aan de andere kant van de lijn reageert verbaasd: “Dus ze moet een test krijgen en ze mag niet gaan werken? Dat is helemaal andere informatie dan ze van haar baas kreeg, terwijl ze toch in de zorg werkt. Bedankt om het toe te lichten, ik zal het haar zo doorgeven.” Ik vraag nog snel haar telefoonnummer en gegevens en beloof haar later op de avond ook nog even op te bellen om het nodige in orde te brengen. 

Een half uurtje later bel ik de vrouw in kwestie op nadat ik de meest recente richtlijnen nog eens gelezen heb. “Goed dat u belt, dokter, want ik ben helemaal in de war. Ik heb mijn baas net ingelicht dat ik morgen niet kan komen werken en ze werd heel kwaad. Ze vertelde me dat er geen enkele reden is dat ik niet kom werken en dat ze voldoende beschermingsmateriaal voor me zal voorzien. Nu weet ik dus niet wat ik moet doen.” Ik reageer verbaasd en vraag me af waarom er zo moeilijk gedaan wordt over een zorgkundige die ten eerste zelf ziek is en ten tweede een partner heeft met symptomen. En dat voor iemand die in een rusthuis werkt waar je corona al helemaal ten alle tijden wilt vermijden! Ik licht mijn samenvatting van de richtlijn kort aan de dame toe maar begin toch te twijfelen. Ik vraag haar of het goed is als ik even later weer terugbel nadat ik met mijn collega heb overlegd. 

"De richtlijnen veranderen immers voortdurend maar zijn gelukkig makkelijk te raadplegen en overzichtelijk."

Mijn collega-huisarts en ik nemen de tijd om samen de richtlijn nog eens door te nemen; was er nu onlangs geen advies dat zorgverleners toch mochten werken? En dat ze pas op dag 10 getest moesten worden? Of gold dat enkel voor zorgverleners die contact hadden gehad met een positief geteste persoon? De richtlijnen veranderen immers voortdurend maar zijn gelukkig makkelijk te raadplegen en overzichtelijk. Ook samen met mijn collega komen we tot de conclusie dat deze dame echt niet mag gaan werken dit weekend en bovendien getest moet worden op COVID-19. Ik bel haar terug op en ze steekt direct van wal: “Mijn baas is echt niet blij met het nieuws en vraagt met klem of ik toch kom werken. Ik denk dat ik het maar ga doen, anders raak ik misschien mijn baan nog kwijt ook...” De frustratie begint op te borrelen: hoe kan het toch dat sommige mensen zo weinig begrip tonen in deze situatie? Hoe kan het zijn dat iemand misschien zijn job verliest, omdat hij het advies van de dokter volgt en daarmee niet alleen zichzelf maar ook de patiënten in het rusthuis en collega’s beschermt? Natuurlijk begrijp ik dat er een groot personeelstekort is, maar zo hou je mensen zeker niet gemotiveerd om deze zware job uit te voeren. 

Ik vertel de vrouw dat ze uiteraard zelf de keuze heeft of ze het advies opvolgt of niet, maar dat ik in ieder geval een afwezigheidsattest schrijf en ook een afspraak inboek voor een COVID-test. “Goh, ik ben blij dat u zo doortastend bent en ga denk ik uw advies toch maar volgen. Die test ga ik trouwens sowieso laten doen want ik werk de vroege shift morgen: om 16 uur kan ik me dus zeker op de triagepost melden!” Waar ik over het algemeen het nut van een afwezigheidsattest zeer in twijfel trek, hoop ik nu stiekem toch dat dit de werkgever tot bedaren brengt en dat de dame veilig thuis kan blijven zonder dat ze ontslagen wordt. 

Op stap met Franky D’Argent

Franky D’Argent, huisschrijver van de verhalen in Huisarts Nu, is huisarts in het Waalse Komen en verbonden aan de KULAK en het ICHO. Zijn ervaringen en bedenkingen tijdens deze coronatijden houdt hij in dit dagboek bij.

I Nieuwe verorderingen (20/3/2020)

Toen deze waanzin net voor het weekend begon, schreef ik een stukje voor Huisarts Nu. Ik had nog een vrij gewone dag achter de rug: consultaties in de voor- en namiddag, maar mijn les aan de KULAK was wel uitgesteld. Ik stuurde het stukje naar mijn dochters, waarop één van hen een duidelijk advies formuleerde: houd dit voorlopig maar in voor publicatie.

Voor mezelf hielp het semi-sarcastisch stukje mij om met de angst om te gaan. Voor de rest was het, op het annuleren van de koers en Anderlecht, een vrij ‘normaal’ weekend. Ik zag wel op de Whatsapp-groep van de lokale huisartsenkring meldingen en oorlogstaal verschijnen. Ik hoorde van een huisarts die met masker naar de Colruyt geweest was. Ik zag Marc van Ranst er elke dag meer en meer moe uitzien.

Ik heb het niet zo voor regeltjes en wetten en oorlogstaal, zeker niet als het over ziektes gaat. Benjamin Franklin, één van de founding fathers zei ooit, wellicht tussen twee feestjes en vrouwen in: ‘Any country that gives up Liberty for Security will not get either of them.’ Moest ik ooit een tattoo overwegen, dat zou hem zijn, denk ik. 

Er waren intussen een paar patiënten die positief waren en die al dan niet in quarantaine waren, fluitend of met de bibber. Eén patiënt, die een zaak had en net terug had opengedaan na een weekje skiën in Italië, vond, voor het weekend van 7 maart, dat hoesten en een beetje koorts geen ziekenhuisbezoek voor een testje rechtvaardigde. Hij bedankte ons en ging lustig verder, met zijn zaak, zijn levenswerk. Twee weken verder zou zoiets hoogverraad zijn. Zijn winkel is trouwens, uiteraard, gesloten.

"Als huisarts leef je de laatste jaren al in een soort van continue strijd met bezorgde mensen."

Een collega-pediater met wie ik een cyberoverleg had, vertelde mij ook nog dat haar zoon aangesproken werd door een agent tijdens het joggen, omdat hij niet snel genoeg en met een te kleine boog rond een bejaard koppel wandelaars was gerend.

Wetenschappelijk is dit wel een zeer interessante en uitdagende periode. Elke dag lees of hoor je iets over dat nieuwe kreng, dat stoute virus. Als de test positief is, heb je de ziekte; als de test negatief is, is het wat onduidelijk. In de praktijk hebben we een koppel waar de vrouw positief testte en weinig of geen symptomen had, maar haar ‘negatieve’ vent was een week zeer ziek met koorts en pijn. Oké, een man, maar toch. 

Als (huis)arts is het quasi onmogelijk om aan de telefoon, wat als consultatie ‘normaal’ is geworden in een paar dagen, te weten of het nu om een seizoengriepje gaat, een ferme valling of het coronavirus. Als huisarts leef je de laatste jaren al in een soort van continue strijd met bezorgde mensen, moeders op kop, die van elke valling dachten dat het Armageddon op komst was, daarin ferm ‘gesteund’ door de crèchepolitiek van administratie en virussen buiten. 

Ondertussen pluis ik alle vakbladen uit om uit te piepen of er toch verschillen zijn. Ja, een beetje: meer hoofdpijn, meer borstpijn, bij de nieuwe ‘vijand’. Dus meer telefonische argumenten om iemand thuis te houden of te ‘veroordelen’ tot de kliniek.

‘s Avonds vraag ik iemand dicht bij mij, zelf mama van twee snaken, of ze dit verkiest boven een nieuwe inval van de Duitsers. Zij is duidelijk: ‘dit’. Ik ben er tot op vandaag nog niet uit. Mijn grootvader zat in de weerstand in WOII, dat lijkt mij makkelijker dan dit onzichtbare monster. Ik kan ook niets anders dan meedoen, meedoen aan al wat ik de voorbije 35 jaar heb tegengestreden: geen arbeidsongeschiktheidsbriefjes via de telefoon, geen voorschriften op het secretariaat zonder een bloeddruk te nemen of een patiënt te onderzoeken. Neen, in een paar dagen was dit de nieuwe norm.

II De wereld draait door en voort (23/3/2020)

“Een arts die nu nog onderzoekt in plaats van telefonisch trieert, is een gevaar voor de volksgezondheid”, zo lees ik in een vakblad.

Er zijn geen files meer, je kunt telewerken thuis, ook al had je dit de voorbije tien jaar al duizend keer aangevraagd en hierover ‘boel’ gehad met je baas. 

Bij elke nieuwe verordening stijgen het aantal telefoons van bange mensen. Ik zie nog amper patiënten, hang wel de hele dag aan de telefoon. Een paar mensen aan de telefoon lijken een paar dagen op Pluto gezeten te hebben of Saturnus als je hun vragen hoort. Een ander vindt het ‘het moment' voor wat contemplatie.

Een politieker, zelf huisarts, vindt dat we dat briefjesgedoe maar best afschaffen.

Hoewel de wereld doordraait, draait hij ook voort. Een meisje belt mij bezorgd, omdat ze twee dagen haar pil is vergeten. Een man is dan weer zeer ongerust over het scheuren van zijn condoom in de parenclub. Tussen de honderden e-mails met info rond coronabezwering stuurt mijn loodgieter me doodleuk dat mijn kapotte droogkast, in lockdown in zijn atelier sinds maanden, eindelijk gemaakt is en of hij ze kan komen (her)installeren.

"Ik krijg tranen in mijn ogen van het applaus om 20.00 uur en de lakens om 11.00 uur."

Het verhaal van de dag met bijbehorende prijs gaat echter naar Julia, net 96 jaar geworden. Een beetje eigenzinnig, uiteraard, anders word je geen 96. Ze was al zeer kwaad dat ze niet kon trakteren op restaurant aan haar nakomelingen, maar dat werd nog heftiger nadat die ook nog eens afzegden voor de drink bij haar thuis. Ze was twee keer over en weer naar het warenhuis gewandeld, omdat ze de eerste keer de wijn had vergeten. Haar zoon belde mij hierover en vroeg me om dat uit haar hoofd ‘te klappen’. Ik ben echter niet zo’n fan van mensen te overtuigen, dat is niet geweldloos genoeg als communicatie.

Filosofisch en psychologisch is deze periode wel zeer interessant. Ik krijg tranen in mijn ogen van het applaus om 20.00 uur en de lakens om 11.00 uur. Mooi, al vind ik dat een vuilzak uithangen voor de mannen van de reinigingsdienst of een grijze jas, met oranje streepje, voor die van de Colruyt, evengoed op hun plaats zou zijn. 

Maatregelen gedoseerd brengen, zegt de ‘pullover’ professor. Ik ben gewoon aan weekends in lockdown, maar hoe dat de volgende zes weken zal gaan, vraag ik mij nu toch af. Ik schrijf een beetje, heb nog een serie en een film te gaan. Ik drink nooit wijn van minder dan 5 euro, voor mijn gezondheid. Ik heb met mezelf overlegd en mijn plafond opgetrokken naar 8 euro, bij voorkeur Italiaanse en Spaanse. Niet alles moet naar beneden.

III Bezig blijven 31/3/2020

Gisteren ben ik de dag niet goed begonnen. Ik had echt zin om ertegenaan te gaan, na wat rust, ook in mijn hoofd en de sport. Maar toen kwam de eerste patiënt, Maurice 75 jaar, voor zijn medicatie en een hoestje om eens onderzocht te worden. Ik ontplofte bijna. Had hij de laatste weken op Pluto, of zitten mannen op Venus, verbleven? Nee, hij kon niet komen voor een hoestje. Hij keek mij aan alsof ik het was die van een andere planeet was. Ik heb hem in de namiddag nog eens teruggebeld om de plooien glad te strijken. Gelukkig gelukt. 

Bovendien was er dan ook nog eens geen internet. Geen mogelijkheid tot mails lezen en beantwoorden en ik had, zoals de nieuwe terminologie het wil, een ‘videocall’ gepland. Naar Proximus gebeld en duizend keer op een knop gedrukt; kies 1, kies 3. Elke keer hoor ik dat de zaak in behandeling was. Ik weet wel dat ik stoïcijns moet blijven in deze tijden, maar het lukte even niet. Dit is een lastige periode en ik wil bezig blijven, mijn dossiers nauwkeurig invullen. Al is het dan met whatsapp of mailen of zoomen: het is essentieel; bezig blijven en je nuttig voelen. Ik lijk wel een leeuw in een kooi en kan het niet zingen.

Uiteindelijk komt het Proximus-mannetje erdoor. Als Atlas gebukt onder de wereld, komt hij naar de praktijk gesjoffeld. Ik was al duizend keer gaan kijken aan de praktijkdeur en spring een gat in de lucht als ik het wagentje met logo eindelijk zie aankomen. Ik loop hem tegemoet, op veilige afstand uiteraard, met een mondmasker. Hij wuift het weg. De bitterheid druipt van hem af. Ik verneem al snel waarom. Weduwnaar, geen recht op pensioen, hij is zo oud of zo jong als mezelf. Om één of andere reden, mijn interesse in zijn leven, onze liefde voor Congo, zijn geboorteland, maakt dat hij omslaat in een zeer betrokken technieker die de praktijk niet verlaat voor alles werkt, Proximus-tv inclusief. Gelukkig, want daar staan al mijn activiteiten voor de vrije tijd op. Ik bied hem een drankje aan, een colaatje. Hij glimlacht zowaar.

Het is al 16.00 uur als ik mijn vele telefonische consultaties kan inbrengen in ons internetgerelateerd computerdossier. Oef. Met dankbaarheid denk ik terug aan Didier, de tweede en laatste life patiënt van de dag. Hij was eergisteren gaan wandelen, in het kader van de beweging en was daarbij over zijn hond gestruikeld. Ferm dikke pols, bijna zeker een breuk. Naar de spoed wou hij niet en het lokaal radiologisch centrum is gesloten, wellicht niet essentieel meer zoals zoveel. Hij tovert een glimlach op zijn gelaat nadat hij eerst heel sip keek. “Kan je dat echt zelf gipsen?” “Tuurlijk”, zeg ik. Hops, een gipsje eraan en een gelukkige patiënt erbij. Je heel even dokter voelen, essentieel als het ware. Genoegdoening voor de ziel.

Essentieel beroep en burgerzin: dat zijn de nieuwe woorden. Alsof niet alles wat men doet, essentieel is, al was het maar om je nuttig te voelen. Als burgerzin het nieuwe klikken is, schieten we er ook niet mee op. Ik hoorde dat de gezondheidspolitie telefoontjes krijgt om te zeggen: “Mijn buurman ’s lief was hier gisteren met nog iemand, dat kan niet meer.”

"Ondertussen zijn er ook nog mensen met peesontstekingen, galsteenlijden en puisten of neerslachtigheid, maar die zien we niet meer. "

Ik eindig de werkdag met een videoconsultatie, de eerste echte. Na wat geharrewar toch mijn patiëntje, een 15-jarige jongen en zijn papa in beeld. De jongen had pijn aan de arm en de longen. We zitten allemaal diagnostisch een beetje in de tunnel. Oei, corona! Ondertussen zijn er ook nog mensen met peesontstekingen, galsteenlijden en puisten of neerslachtigheid, maar die zien we niet meer. Op de niet-corona-spoed is het ook zo. 

Waar zijn die mensen dan? Waar zijn de mensen met een infarct, een hersenbloeding of een abces in de buik? Is dit het moment om de spoed tot de essentie te maken, dringend en erg, of is het gewoon even on hold, op een klein vuurtje?

Na de consultaties heb ik nog mijn eerste cyberseminarie, de tweewekelijkse vergadering met mijn dertien huisartsen-in-opleiding. Het lukt aardig, wel wat technisch geklungel. Die vergaderingen zijn nooit als echt natuurlijk, maar ik heb, net als bij de vorige honderd seminaries, een goed gevoel. Ik voel mijn nek- en rugpijn van de slag wat afnemen. Bezig blijven is belangrijk en volgens mijn aanvoelen essentieel.

Ondertussen is ook de mondmaskersdiscussie begonnen. Wel of niet. Het heeft nut op straat, zegt de ene professor. Geen nut zegt de andere groep, meestal de virologen lijkt mij. Het heeft een beetje nut, zegt een derde expert maar we hebben er geen. Dan springen die van Ter zake en de Afspraak erop natuurlijk. “Horen we hier tegenspraak?” Joepie hetze en boel in de lucht, kijkcijfers omhoog. “Had u dan niet beter...”

Kwaliteitsvolle geneeskunde is een arceringsgebied tussen evidence-based medicine (de objectieve controleerbare wetenschap zeg maar), experts opinions (wat elke arts of wetenschapper er zelf van denkt of ervaren heeft) en wat de patiënt denkt, vraagt en schrik van heeft. Het unieke deelgebied van die drie is goede geneeskunde. Het bijzondere en uitzonderlijke is dat we hier weinig of geen wetenschap hebben. Wat cijfers en observaties van de Spaanse griep in 1918, waar men afvlakken van de curve zag en lagere mortaliteit in gesloten gemeenschappen.1 Voor de rest, nada, nothing, nougatbollen.

Al die experts hebben dus een gedacht over iets, zoals een masker maar een ‘gedacht’, een idee is en niet de waarheid, hoogstens hun waarheid. In de wereld van ‘de waarheid’ en ‘de zekerheid’ ligt dat natuurlijk moeilijk. 

Maggie zegt vanuit haar oude kabinet, met mooie bloemen op de achtergrond, haar mening, haar waarheid, die het dichtst bij de mijne aansluit. Wij zijn dan ook alle twee huisarts, maar daar houden de vergelijkingen ook op.

1 Markel H. et al. Nonpharmaceutical interventions implemented by US cities during the 1918-1919 influenza pandemic. JAMA 2007;298:644-54.

IV Raar weekend (6/4/2020)

Raar in de zin van ‘rare’, zeldzaam, weekend gehad. Huisartsen worden nu ingeschakeld, net voor de spoed, om zieke mensen te triëren in Covid-verdacht of niet. Vroeg in de ochtend, op zaterdag, rijd ik over zeer rustige wegen naar de mij toegewezen kliniek. Het is een prachtige ochtend als ik de zon zie opkomen. Ik heb het niet zo voor klinieken; dat heb ik mijn vader, die had het zelfs niet voor dokters. Ik word hartelijk ontvangen richting vestiaire voor een spoedpakje en masker en bril. Vreemd. Ooit heb ik de weg gekozen in mijn leven om dit niet te doen en nu zit ik hier toch.

Het is er niet druk. Dat is zo vreemd. Een aantal triagepunten en spoedgevallen worden overspoeld, bijvoorbeeld in Limburg. In Italië en Spanje en zeker in de VS liggen mensen op de gang. Heeft dat alleen te maken met flinke ‘social distancing’ of zou er toch ook een genetisch aspect aan zijn, dat we nog niet kennen? Zijn mediterrane mensen en Afro-Amerikanen vatbaarder? Zouden het misschien sociale determinanten zijn? 

De zes uur zijn best lastig. Ik zie niet zoveel patiënten, maar één ervan, een veertiger is toch echt ziek. Hij is drie weken thuisgebleven maar nu gaat het niet. Het is mij niet duidelijk of het een gewone pneumonie is of een Covid-pneumonie. Het blijkt het tweede met longembolieën erbij. Ik laat hem opnemen. Een andere is dan weer maar heel licht ziek en wil absoluut een test. Dat kan niet meer en dat probeer ik hem uit te leggen. De verpleegster meet zijn zuurstofsaturatie, koorts enzovoort. Het blijkt mee te vallen. Hij mag terug naar huis. Daar lijkt hij heel erg blij bij. Hij voelt zich getest, ook al is het niet op Covid. Vreemd hoe mensen toch zo graag testjes hebben.

"Artsen, verpleegsters en kuisvrouw zitten met zijn zessen in een keukentje van 2 op 2."

Op de niet-Covid-spoed, zo heet dat tegenwoordig, is het ijzig kalm. Geen infarcten, nierstenen of lage rugpijnen waar ze anders mee naar de spoed rennen. Ook vreemd.

Het doet wel iets met mij, zo met de voeten in Covid-land. Zeer professioneel met die maskers en heel zieke mensen die ik tot nu toe niet echt zag. Heel contrasterend is de lunchpauze. Asperges van een lokaal restaurant. Artsen, verpleegsters en kuisvrouw zitten met zijn zessen in een keukentje van 2 op 2. Het voelt een beetje vreemd aan.

Na deze triagedag is het tijd voor een flinke fietstocht op zondag, pittig, op verzoek van mijn tweede dochter. Ze begint deze week haar coassistentschap op de ‘Spoed’ in Leuven en wil nog even met haar papa zijn. We fietsen met onze mountainbikes door de velden, de wegeltjes en het enige bos dat nog open is. Op veilige afstand uiteraard, maar we kunnen wat ‘doorbomen’ over de toestand. Het is zeer zonnig, maar toch een stevige wind. Ook één van de voordelen van de waanzin, het is mijn zesde fietstocht en tot nu de zwaarste. Dan een douchke en een avondfilmpje.

V Gezond verstand (7/4/2020)

Dinsdagvoormiddag is chronische patiënten-voormiddag. Dat is in coronatijden ferm geslonken. Op de praktijk proberen we de mensen te contacteren en vragen wat ze willen, gezien de huidige consignes. Gemiddeld zag ik er een tiental op een voormiddag, nu zijn dat er nog drie. 

Ik doe een masker aan, voor hen vooral. Het blijft vreemd, damp op mijn bril, het elastiek dat achter mijn oor knelt. Ik word onderweg gebeld door de praktijkassistente: Pascal, in quarantaine, is van het dak gevallen. Overal pijn, vooral heup en rug, en een ferme snijwonde op zijn kale schedel. Hij wil niet naar de kliniek of spoed, hem kennende zou hij dat ook in niet-coronatijden weigeren. Na al die jaren heb je de patiënten die je verdient en die voor je kiezen. We overleggen over de alarmsymptomen en komen overeen af te wachten. Ik sutureer de wonde, maar moet wel terug naar de praktijk om de ‘naaikit’ te halen. Vroeger stond die standaard in de auto. Hij lijkt ondanks de pijnlijke grimas gelukkig. “Nu begint het voor mij”, glimlacht zijn vrouw bij het afscheid. 

Na het laatste huisbezoek krijg ik de melding dat de rechter achterbanddruk verminderd is. Ik stop, stap uit en kijk. Een platte band. Ook dat nog. Via de telefoonassistentie en zeker omdat ik dokter ben, hoor ik een warme stem zeggen dat ze iemand zal sturen. Hij komt er al snel aan en ik vraag of hij een masker wil. “Neen”, zegt de vriendelijke wegenwachter, “ik heb ‘het’ al gehad, maar oei dat ziet er niet goed uit, dat wordt een nieuw wiel.” Na wat rondgebel, ook daar het corona-antwoordapparaat, mag ik naar mijn eigen garage. Ik word ook hier heel vriendelijk ontvangen en bediend. Contrasterend met het hectische gedoe van anders. Een nieuw schoentje voor mijn bolide en klaar. Ik zeg de mekanieker dat ik rond 20.00 uur vanavond voor hem zal klappen en zwaaien met iets in rubber. Hij lacht.

"Maar als je gisteren negatief was, kun je toch vandaag positief worden, of niet?"

Het nieuwstopic van de dag is ‘het testen’ in de woonzorgcentra. We weten van de test dat hij zeer specifiek is, weinig of geen vals-positieven. De sensitiviteit zou zwak zijn, dus heel veel vals-negatieven. Is het dan echt nodig om al die oudjes te testen? Moesten we er nu eens van uitgaan dat ze allemaal positief zijn, maar niet noodzakelijk ziek. De pulloverprofessor heeft al meerdere keren gezegd dat die oudjes het heus niet aan elkaar doorgeven, wegens te weinig actieve slijmvliezen. Dus het personeel testen, voor de zogenaamde zekerheid. Maar als je gisteren negatief was, kun je toch vandaag positief worden, of niet? Zou inzetten op beschermingsmateriaal niet efficiënter zijn? Maar dat zou er dan ook weer niet zijn. Wie had dit verwacht, kon men dit verwachten? Ik hoop dat het gezonde verstand blijft, maar vrees ervoor. Ook het gekissebis errond is lastig. We weten zo verdomd weinig van dat monstertje en willen zekerheid, dus ruzie en iemand zoeken voor op de brandstapel. Zouden we niet proberen samen zo goed mogelijk zorg te dragen? Moeilijk, wat ik denk is niet de waarheid, maar die is niet geweten. Lastig.

Intussen zijn ook bedrijven actief op zoek naar ‘oplossingen’. Ik hoorde via via van een conference call over een mogelijke werkhervatting op een dienst. Dat ging 30 minuten over waar ze de koffiemachine gingen zetten en of niet iedereen zijn eigen suikertjes zou meebrengen. Handen wassen leek toch wat minnetjes. Misschien toch beter gel. En kon iedereen nu zomaar een nieuwe stylo uit de voorraadkast halen? Dat leek toch wat gevaarlijk, net als samen eten tijdens de lunchpauze. En dan hadden ze het nog niet over de nieuwjaarskussen gehad.

​​​​​​​VI Plannen maken (11/4/2020)

Odette is 84 jaar oud en al 45 jaar weduwe. Vorig jaar verloor ze haar zoon van 50 jaar, euthanasie na een lang kanker’verhaal’, geen ‘strijd’ want ook in deze context houd ik niet van dat woord. Odette belde me dinsdag op omdat ze etterige, bloederige diarree had met pijnlijke krampen en algemeen onwel zijn. Ze wou absoluut niet naar de kliniek en nu zeker niet. Ik ging op huisbezoek, al vonden veel collega’s dit nu niet kunnen. Haar huis hing vol met foto’s van het verleden, haar man nog in zwart-wit. Haar jongste zoon met alle broers in kleur, lachend op barbecues. Het leek al een zwart-wit verhaal in mijn eigen geheugen, een barbecue met je naasten. “Dat de Lieve Heer mij maar komt halen”, zei ze. Maar vanachter mijn masker spraken we af dat ze het thuis toch eerst ging proberen, met hulp van een thuisverpleegster en wat antibiotica. 

Vrijdag ben ik teruggegaan, de verpleegster was er ook. Ik zag voor het eerst dat ze prachtige blauwe ogen heeft, al ken ik haar al jaren. Zo’n masker, een soort van boerka, heeft toch zijn voordelen, dat weten de moslims al langer. Odette is beter, door de antibiotica of omdat zij haar levensverhaal kwijt kan aan de verpleegster die elke dag twee keer langskomt? Wij zullen het wellicht nooit weten. Het is fijn om Odette terug te zien lachen. De kinderen kan ze alleen vanachter het venster van haar kleine huisje zien. Ze heeft terug hoop en plannen, ook om haar kleinzoon die in Miami woont – dat ze steevast uitspreekt met de klemtoon op de verkeerde lettergreep – terug te zien.

"Had Beke of Maggie of de virusprofessor in december een taks geheven om mondmaskers in te slaan, dan was het kot te klein geweest."

Plannen maken is belangrijk in tijden van angst en uitzichtloosheid. Dat heb ik geleerd van Victor Frankl, een Joods Oostenrijkse psychiater, die zelf in de concentratiekampen zat tijdens WOII. Toen hij en zijn Joodse medegevangene in Türkheim, vlakbij Dachau, zaten, hoorden ze dat de Amerikanen op komst waren. Toen was dat nog goed nieuws. Frankl verbaasde zich erover dat er toch nog een heel deel van de gevangenen stierven. Zijn theorie kwam erop neer dat er bij mensen met plannen, genre “ik ga een restaurantje openen in Tel-Aviv later en koosjere worstjes maken en ik zoek ook naar dat leuke meisje dat ooit nog bij mij in de klas zat”, meer overlevers waren. Mensen die enkel op de Amerikanen wachtten, stierven eerder.

Ik maak dus volop plannen, zoals waar ik dit jaar op reis ga, of beter waar ergens in de Ardennen, want dat wordt de nieuwe aanbeveling volgens de pulloverprofessor. Ondanks het oplopen van de lentetemperatuur zweert hij bij een pull. Dat maakt hem misschien rustig, want dat blijft hij. Rustig en waardig. Ik lees dat er een paar zijn die na de Wouter en Maggie ook hem op de brandstapel gaan plaatsen. “Had dit niet vermeden kunnen worden”, is de steeds terugkerende vraag van de inquisitiejournalistiek op het scherm. Had Beke of Maggie of de virusprofessor in december een taks geheven om mondmaskers in te slaan, dan was het kot te klein geweest. Als je het niet eens bent met die mensen en dat is ongeveer het enige wat per wet nog niet verboden is, blijf dan beleefd, denk ik dan.

“Alles is verboden en wat nog mag, moet”, zei Jan Leyers een paar jaar geleden. Ik dacht dat het elastiek van het moeten en niet mogen, twee vreselijke woorden, op zijn ultieme rek stond. Niet dus. Smetvrees is per wet verplicht geworden. Wat niet wil zeggen dat ik immuun ben voor alle gruwel, absoluut niet. Wat ik niet leuk vind, is dat durven nadenken, durven kritisch zijn, wat al lastig was, nu compleet aanzien wordt als verraad. Ik lees dit wel in de reflecties van mijn haio’s, gelukkig, ik ben trots op hen.

Er liggen nog wat Bongobons op een kastje hier, als relikwie van een ver verleden. Ik hoop dat ik die kan gebruiken voor de Ardennen. Gezien mijn toenemende IT-vaardigheid en kennis spit ik dat wel uit. Maar niet nu. Nu ga ik fietsen in de lentezon.

VII De grote doorstart (12/4/2020)

Pasen, een rare. Een patiënt van mij heeft een familiebedrijf dat chocolade maakt. Elk jaar met Pasen en Sinterklaas brengt hij een doos van de overheerlijke chocolade naar de praktijk. Ook in deze waanzin is hij het niet vergeten of stelt hij het niet uit. Sinterklaas is overigens, volgens de pulloverprofessor, oké. Het was zijn fijn antwoord op een bezorgd jongetje over de Sints’ gezondheid.

Als er al een parallel is met oorlog, dan is het volgens mij dat het het mooiste en het dwaaste of het kwaadste in de mens naar boven haalt. Mooi van mijn chocoladepatiënt. Van het andere kreeg ik een staaltje tijdens mijn fietstocht. Het jaagpad langs de rivier was afgesloten. De gezondheidspolitie deed mij stoppen, ik moest omrijden. Ik snap de regels wel, maar dit vond ik toch wel dicht bij virologisch stalinisme komen, zoals Hugo Camps het noemde in zijn opiniestuk deze week. Ik werd een beetje nijdig. Het plezier waarmee de arm der wet, schouder aan schouder, mij de doorgang ontzegde, droop eraf. Ik gaf hun een uiteraard ongepaste repliek en zei dat ik liever niet had dat ze met hun witte lap zwaaiden vandaag. De ene stelde mij cynisch gerust: “Dat doe ik nu al niet.”

Ik keur het niet goed, maar dat sommige mensen dan slaags raken met zo’n gedrag, versta ik. Dat we ‘fysieke afstand’ dienen te nemen is, op gezond verstand na, het enige wat we hebben, maar het toepassen kan toch op een communicatief zachter manier. We zijn allemaal natuurlijk wel een beetje gespannen aan het raken. Dat zag ik op het nieuws ook. Relletjes in Anderlecht en spijtig niet voor een match van mijn favoriete ploeg.

Ik zoek houvast in de meer kritische opiniestukken van de week. Het was Schopenhauer die zei, al was het over liefdesverdriet eigenlijk, dat bij elke ramp zelfs de grootste melancholieker vasthoudt aan een stuk drijfhout. Het stuk hout is beweging, literatuur, film en intellectueel bezig zijn. Vandaar ook mijn dagboek. Het geeft mij energie.

“De angst is erger dan de epidemie”, zegt professor Mattias Desmet van Gent en meer nog, angst trekt het virus aan. Hij schreef er twee artikels over in de Morgen en één in Knack. Stof om na te denken. Bij elke kriebel in de keel of lichte huivering, aanleiding genoeg, denk ik zelf: “Hup ik heb het zitten.” Ik denk niet dat ik de voorbije dertig jaar zoveel mijn koorts gemeten heb dan de laatste vier weken. De angst heeft ook mij te pakken. Ik heb schrik om op mijn buik op de intensieve afdeling te liggen, ook al zijn er bedden over.

"De laatste vier weken ziet de doorsnee huisarts amper nog patiënten. Op een paar coronagerelateerde specialisaties na is het in de ziekenhuizen van hetzelfde."

Deze situatie doet me ook denken aan Marc Noppe, professor pneumologie aan de VUB en nu ook directeur van het ziekenhuis daar. Tijdens een lezing een jaar geleden hoorde ik hem zeggen: “Ik onderhandel met vier ministers van gezondheid in mijn ziekenhuis. Toen ik dat aan (sic) Chinese bezoekers probeerde uit te leggen verstonden ze het niet. Voor hen zou dat op 997 ministers komen.” “Misschien moeten we daar eens over nadenken. Over de grote doorstart, die nu op ons afkomt. Klinieken die weer open zullen gaan”, zegt hij deze week in Knack, “veel patiënten van die uitgestelde operaties zullen wellicht nu vanzelf beter zijn.”

De laatste vier weken ziet de doorsnee huisarts amper nog patiënten. Op een paar coronagerelateerde specialisaties na is het in de ziekenhuizen van hetzelfde. Een aantal collega’s staan daar echter te trappelen, met het scalpel in de hand en denken erover na om lang door te werken om het werk ‘in te halen’. Er sterven in de VS jaarlijks 200 000 mensen door vermijdbare medische fouten na te veel ingrepen en onderzoeken etc. etc. Tijdens elke staking in de geschiedenis daalt de mortaliteit in de klinieken. Beide cijfers zijn makkelijk op te zoeken. Misschien zou het niet slecht zijn om stil te staan bij wat de cijfers tijdens deze periode ons leren, i.v.m. niet Covid-19-gerelateerd overlijden. Zijn die nu (veel) lager? Alvast weinig of geen overlijdens op de weg, van vaak jonge levens. Daar zullen we dan wel de zelfmoorden en moorden dienen bij op te tellen. Met die zaken is de geluksprofessor, met staartje, bezig. Zachte aardige, kritische man, vind ik, die deze gezondheidswinst berekent en uitlegt.

Dat we ook over woonzorgcentra best eens goed zouden nadenken, is iedereen het nu wel eens, hoop ik. We proberen hier in de praktijk, ook al doen we dit niet perfect, al jaren met Advance Care Planning te werken, ook in de rusthuizen. Tot voor kort was er daar echter heel vaak, zowel door familie als de directie en minder door de patiënt, heel veel weerstand tegen. Het is nu allemaal wel een beetje (te) snel moeten gaan, maar misschien vinden we nu een middenweg. De federale lappendeken waar wij in leven en die Marc Noppe aanhaalde, leeft ook daar natuurlijk. Valpreventie wordt door Vlaanderen betaald, maar de eventuele gezondheidseconomische winst gaat, gezien minder operaties, naar het federale niveau. Leg dat maar eens uit aan de Chinezen.

Toen Belgisch-Congo op 30 juni 1960 Congo werd, schreef generaal Janssens, voordien hoofd van de koloniale troepen en toen van het Congolese leger op een bord: ‘Congo après l’indépendance = Congo avant l’indépendance’. Ik vrees dat het na de waanzin van hetzelfde zal zijn, maar hoop van niet.

VIII Samenhorigheid (14/4/2020)

Vandaag terug pretriage-COVID in de kliniek. Het was heel druk. Een jonge patiënt, een man van rond de 30 jaar, is echt ziek met de klassieke symptomen: koorts, geur- en smaakstoornissen, hoge koorts en een gevoel van zure reflux in de longen, zoals hij het zelf omschrijft. Zijn parameters zijn oké, goede saturatie enzovoort. Er wordt niet getest en hij wordt na, hoop ik, goede uitleg terug naar huis gestuurd om uit te zieken en terug te komen bij alarmsymptomen. Dat kan nu allemaal en patiënten schijnen dat ook aan te nemen, nu. 

Eéntje heeft lichte koorts, maar ook een beeld van niersteen, wat hij vroeger ook al heeft gehad. Hij wordt naar de COVID-spoed gebracht. De rest van de patiënten zijn zorgpersoneel; verpleegsters, werkvrouwen,… Zij vertonen allemaal lichte tot matige symptomen en worden wel getest. Eéntje wil snel terug aan het werk, positief of niet. 

Een andere patiënt staat op de wachtlijst voor openhartchirurgie in een academisch ziekenhuis. Hij ‘moet’ zich eerst laten testen voor hij, wellicht volgende week, geopereerd wordt. Volgens het protocol kan hij echter niet getest worden. Met reden vind ik, want – op het gevaar af om opnieuw te veel op Statler en Waldorf van de Muppets te lijken – als hij negatief is, is hij dan safe? Dan staan we nog niet eens stil bij het nut van die chirurgie en vooral nu. Hij begrijpt het wel. “Moet ik dan eerst naar het academisch ziekenhuis”, vraagt hij dociel. Ik raad hem aan zijn huisarts erover aan te spreken, over beide vragen. Hij is heel dankbaar en beleefd.

Er is ook één toerist, hij wou op bezoek in het ziekenhuis en dacht dat hij zich in de pretriage moest laten testen. Eéntje is een patiënt van mij, 22 jaar en zwanger, astmatisch maar nu ook koorts, met goede parameters. We sturen haar ook terug naar huis met aangepaste medicatie. Radio Tamtam en andere sociale media verspreiden nogal wat geruchten rond medicatie die infaust zouden zijn in combinatie met het virus. Een aantal patiënten (en artsen) stoppen daardoor sommige chronische medicatie, waardoor de oorspronkelijke ziekte potentieel erger wordt dan een corona-aanval.

Alleen van mijn laatste patiënt zal ik follow-up krijgen, van de rest hoor ik wellicht nooit iets meer. Vreemd voor een huisarts. Het gevoel om een shift van zes uur met patiënten bezig te zijn geeft wel een voldaan gevoel. Het is al een paar weken geleden dat ik zo’n druk consultatieblok had. 

Ik rijd door de rode avondzon naar huis en pik nog ‘De Afspraak’ mee, uiteraard volledig coronagerelateerd, met de pulloverprofessor, een filosoof en een journalist van mijn niet-favoriete krant. Waardig, sereen, respectvol naar elkaar toe, geen geroep. 

"Ik ben blij en dankbaar om zo’n goede collega’s te hebben. We drinken nog altijd samen onze koffie, misschien iets vroeger nu."

Dat is ook de sfeer in de praktijk. Uiteraard is de setting compleet omgegooid met minder patiëntencontacten en meer telefoons. Mijn collega is CRA in een lokaal rustoord en zet daar, met haar gekend enthousiasme en empathie op en in. Ze beheerst veel beter dan ik de laatste der laatste aanbevelingen en denkt mee na over strategie.

Wij hebben dit jaar een haio die gedeeld wordt met een andere opleidingspraktijk. We proberen de tijd zinvol en kwaliteitsvol in te vullen. Ook daar is er veerkracht en inventiviteit voor nodig. Hij heeft ook minder patiëntencontacten, maar probeert de dossiers kwaliteitsvol op punt te zetten. Mooi. Ook hij sluit vlot aan, bij onze nieuwe ‘normaal’.

Onze praktijkassistente blijft heel rustig en cool, onder alle verordeningen. Met een ongeziene mengeling van moed, vriendelijkheid en professionaliteit blijft ze de mensen te woord staan, op relatief veilige afstand en desnoods met papierwerk in het kastje voor de praktijk. “Angst neemt het gevaar niet weg”, zegt ze. Ik wou dat ik dat van één van die professoren had horen zeggen de laatste weken. Na 35 jaar blijft zij mij verbazen. Waardiger dan de echte Florence Nightingale.

Ik ben blij en dankbaar om zo’n goede collega’s te hebben. We drinken nog altijd samen onze koffie, misschien iets vroeger nu. We lachen en bespreken het gedrag van onze patiënten die blijven variëren tussen een koortsige die per se nog een opdracht op een bouwwerf wil afmaken en één met een klein kuchje die quarantaine eist voor vier weken. Ze komen meer en meer met masker de papieren ophalen als dat niet per mail of brief kan. Sommigen herken ik bijna niet met masker.

Voor het eerst in onze praktijkgeschiedenis dragen wij, als arts, een witte schort. Het masker gebruiken we voor patiëntencontacten, onder elkaar doen we dat niet aan. De vrijdagknuffel wordt uitgesteld. Ik voel nog meer samenhorigheid dan anders en als er voor de waanzin al eens een spanninkje was door ‘drukdrukdruk’, dan is die nu weggeëbd en proberen we zinvol bezig te blijven. We bellen ook onze kwetsbare patiënten op: wie is eenzaam en belt niet, wie is weduwe geworden en belt niet, wie was gespannen en horen we nu niet. Een moeilijke maar dankbare oefening, want elke keer als je zo iemand belt, heb je een voldaan gevoel. Zo ook met Christiane, 80 jaar, oud-lerares wiskunde, nooit getrouwd, zus dood en een nichtje die in Senegal woont. “Dank je om te bellen, doet echt plezier”, zegt ze. Al is de enige vraag “How do you deal en niet how do you feel”, zoals van mijn gabber Niek geleerd. Voldaan gevoel, dankbaar, met een telefoontje. Je wordt er bovendien dan nu ook nog eens voor betaald. Rare tijden.

IX Je kunt maar één keer sterven (17/4/2020)

Als ik de pulloverprofessor, dit keer in hoopvol groen, goed verstaan heb, zijn er altijd elke dag zo ongeveer driehonderd doden in de WZC. Nu is er, ik citeer, een oversterfte door dat kreng van een virus, maar hij verwacht na de waanzin een ondersterfte. De reden daarvoor is geniaal in zijn eenvoud en ik citeer opnieuw: “Je kunt maar één keer sterven.” Dat laatste wist ik al. De lezing van een epidemioloog, een paar jaar geleden, begon met een dia van de sterfte over de wereld: die is overal 100%. “On the long run we are all dead”, zei Keynes en dat was een Nobelprijswinnaar economie. Die wist dat al in 1923.

Dit betekent dus dat de mortaliteit nu veel te hoog is maar na de pandemie veel lager zal liggen. Als je daar al de mensen die sterven op de weg, wat nu quasi onmogelijk, is van aftrekt en ook die gered worden van iatrogene dood, dan wordt dit, als we niet opletten, misschien nog een succesverhaal. Dat kunnen de media wellicht niet aan.

Eerlijkheidshalve dienen we daar de doden door moord en zelfmoord bij op te tellen. Ook daar zijn de cijfers uiteraard voorlopig nog onduidelijk over. Die zullen pas later, achteraf, duidelijker worden. Dat is spijtig genoeg van veel, zo niet van alles zo op dit moment. Achteraf zullen we beter weten wat een goede maatregel of een minder slimme was. De algemene gedachte, zeker bij een groot deel van journalisten en de gifspuiers op de sociale media, vaak niet al te sociale mensen, lijkt alsof ze een mortaliteit van 0% hadden verwacht.

Volgens mij en dat is dus zeker niet de hele waarheid, zit er dus er wel degelijk zin, luciditeit en gezond verstand in de maatregelen van de virusprofessoren. Wat hun modieuze smaak is, doet daarin niets ‘Ter zake’. Het ‘flatten de curve’ maakt dat het net nog iets minder heftig is, dan het dat nu in al zijn waanzin is.

Als iets goed loopt of minder goed loopt, dan zijn daar vele oorzaken van. In de kwaliteitswereld is dit bekend als het ‘Zwitserse kaasmodel’. Je hebt een opeenvolging van gaatjes nodig om er het stokje van het mislopen of succes door te glijden. Die opeenvolging legt het leuk of mislopen uit. Met een visgraatanalyse, een souvenir van het vliegtuigwezen uit WOII, kun je bekijken welke elementen; intern, extern, persoonsgebonden, maatschappelijk,… maken dat iets naars of iets leuks gebeurd is en hoe je dit dan het volgende bombardement of in de volgende operatie of pandemie aanpakt. Je maakt de gaatjes zichtbaar op die manier.

Heel vaak worden politici en hun adviseurs bestookt om die ene oorzaak, die ene factor te vinden of te vermijden, nu al. Die is er dus niet en zeker niet hier bij dit vrij ongekende virus in deze complexe wereld met weinig pandemie-expertise of wetenschap. De mondmaskers of de fysieke afstand of het vaccin of chloroquine kunnen nooit de enige oorzaak of nog erger, de ene oplossing zijn. In afwachting van de volgende pandemie, als die er al komt en hopelijk geen van angst is, zullen we beter de factoren en de te vermijden strategieën leren kennen door deze periode goed en kwaliteitsvol te analyseren. 

"Of terrasjes openhouden of winkels de curve trager of sneller afplat, zal achteraf moeten blijken, maar je kunt maar je best doen en het goed communiceren."

Persoonlijk vind ik dat er een GAS-boete zou mogen zijn voor wie continu het woord ‘oplossing’ of ‘zekerheid’ of ‘alarmbel’ gebruikt en een dubbele voor ‘moeten’. Een dame uit het Waalse Komen ging gisteren winkelen in een warenhuis van een Duitse keten, in het nabijgelegen dorp, in Vlaanderen. Ze mocht 250 euro dokken omdat het zogezegd geen essentiële verplaatsing was. Je hebt in Wallonië toch ook winkels, had de kepiebrigade haar verteld. 

Dat is de communicatieve stijl waarvoor onze leiders, de corona-sheriff op kop, en zijn vazallen gekozen hebben: de commandostijl. Met het vingertje omhoog, paternalistisch op basis van vage informatie en wetenschap, burgers als niet-flinke peuters behandelen. Speeltijd is een woord voor kinderen toch? De Hollanders en de Zweden, waar ik overigens heel graag tegen win met de Rode Duivels, kiezen voor een stijl van overleg. Ze houden een pleidooi voor de gewenste houding van hun burgers. Vanuit autoriteit gaan ze in informatief overleg met hun landgenoten, vanuit dezelfde schare wetenschap. Ik heb niet de indruk dat de cijfers daar overigens zo veel slechter zijn. Al tellen ze daar wel niet alle bejaarde doden als coronadoden, slim.

Of terrasjes openhouden of winkels de curve trager of sneller afplat, zal achteraf moeten blijken, maar je kunt maar je best doen en het goed communiceren. Van het laatste hebben we hier een sterk staaltje gezien de laatste dagen. Het siert, al weet ik al lang niet meer welk comité of task force het voorstelde, om bezoek toe te laten in de WZC. Hoe in een paar uur het ‘kot’ te klein was en iedereen zich inspande om de ander de schuld te geven en op de eigen borst te kloppen: het zou hilarisch geweest zijn, was het niet zo tragisch.

Soms vraag ik mij af of al die mensen al ooit een patiënt gezien hebben. Als ik voor deze waanzin probeerde met een familie te overleggen over een mogelijke hospitalisatie van de moeder, na het eerst aan haar gevraagd te hebben, had je ook al vaak boel. Wat ik ook niet begrijp is dat de oudjes zelf daar zo weinig over te zeggen hebben. Misschien kiezen ze wel voor bezoek ondanks het gevaar. Ik hoorde van een hongerstaking in een rusthuis hier niet ver vandaan. Geen bezoek is niet eten. Het verzet heeft altijd mijn steun, dat is genetisch.

Gisteren zei Monique, een krasse van 90 jaar en nog thuiswonend na een heupfractuur zes maanden geleden: “Onder de Duitsers mochten we nog buiten al hadden we toen minder eten. Wie gaat mijn stoof komen opschudden, als mijn zoon niet binnen mag?”

Claude Lévi-Strauss, een Frans-Joods filosoof, zei ooit: “De waarde van een maatschappij kun je evalueren aan de manier waarop het zijn ouderen behandelt.” En ook nog: “De wetenschap alleen is niet in staat om alle vragen te beantwoorden, en ondanks de ontwikkeling ervan zal dit ook nooit gebeuren.” Die man kan in twee zinnen veel klaarder zeggen waar ik twee bladzijden voor nodig heb.

X Rebellie bij 80-plus (20/4/2020)

Als je in België een heel klein minibeetje vrijheid terug wilt krijgen in de voorzichtige exit of GEES, dan ben je best een klusser of tuinier. Voor al wie wil schilderen, geraniums potten, het gras wil afrijden of lemen platen aan elkaar wil nagelen, plakken of schroeven of hoe dat ook gaat, lonkt een klein beetje vrijheid. Waarom de coronasheriffs de fietsers die een nieuw sexy bandje voor hun fiets willen of bijpassend, dito, koerstruitje of nog erger een kapotte rem hebben, is niet gedacht. Ook wie graag een boek leest of een dvd bekijkt en dit niet via bol.com kan krijgen, is tot het kot en het kot alleen veroordeeld. Kot, ik kan het zo stillekes aan niet meer horen.

Deze morgen Julia, ja hoor die van vier weken geleden, gezien. Ze is nu 96 jaar en één maand. Ze mag niet meer gaan winkelen van haar zoon, maar struint nog wat rond. Ze heeft tijdens één van die wandelingetjes ook een aanvaring gehad met de gezondheidspolitie. Een jonge kerel, maar dat is elke man nu voor Julia, had haar met het vingertje omhoog gevraagd waarom ze die niet-essentiële verplaatsing wel deed en waarom ze dat dan ook nog eens langs het trottoir aan de overkant van haar huis deed. Altijd een beetje rebels en nog een tikkeltje gefrustreerd omdat ze haar verjaardag niet heeft kunnen vieren door de waanzin, had ze geantwoord: “Om mijn poten niet te breken, onnozelaar. Het trottoir langs die kant is gevaarlijker.” Of er een boete volgt, laat ik jullie weten. Ze vond overigens de oorlog, de tweede voor de duidelijkheid, erger dan dit. Met een ziekte maak je nog een kans, met bommen niet, vertelde ze me en dat doodt meer kinderen. “Neen ik heb geen schrik, maar ik ga niet meer naar die kliniek. Als het ’t moment is, is het het moment? Basta.” 

"ik ga niet meer naar die kliniek. Als het ’t moment is, is het het moment? Basta.” 

Brigitte, die haar naam zelf steevast uitspreekt als Brizzit, vond de Duitsers dan weer minder erg. Je mocht buiten en nog vrienden zien. Wat ze wel gemeenschappelijk heeft met Julia, is dat ze niet naar de kliniek wil. “Op de televisie liggen ze daar bijna naakt op die intensief en ’t is daar altijd koud en ik heb nu al zo’n schrik om koud te hebben”, waarbij ze mij haar temperatuur van de laatste maand liet zien, op een bierkaartje, want een appje heeft ze niet.

De dochter van Marie-Louise, 88 jaar, belt mij ook op. “Het gaat echt niet meer met mama, ze vergeet nog meer dan gewoonlijk, beeft en is deze nacht gevallen. Ik durf niet gaan, wat kan je doen?” Ik ga, na gevraagd te hebben dat ze haar moeder verwittigde, met haar akkoord binnen op hun ruim appartement. De echtgenoot van 86 jaar vindt dat de dochter overdrijft. Hij vindt sowieso zijn gezondheidsproblemen altijd belangrijker dan die van zijn vrouw. “Hoe kan ik jou één puntje gelukkiger maken op een schaal van 0 tot 10”, vraag ik Marielou, haar aanspreektitel. “Ik zou zo graag eens naar mijn dochter gaan”, zegt ze. “Die heeft een grote tuin”, en terwijl haar man naar de badkamer schuifelt, “en ben ik eens een momentje verlost van zijn gezaag.” Ze is echter doodsbang van controle, ook de Duitsers meegemaakt. Ik maak een soort attestje, groots in zijn belachelijkheid, waarbij ik een glimlach op haar door Parkinson geteisterde pokerface krijg. Ik glimlach inwendig bij het idee wat één of andere nitwit met dat attest gaat doen. Een redelijk mens zal het wel verstaan.

Heldenwerk vind ik dit allemaal niet en het verdient zeker geen applaus om 20.00 uur, maar het is wel wat mij dezer dagen content maakt. 

XI Being mortal (21/4/2020)

Wat mij vandaag content maakte, was een seminarie met mijn dertien haio’s online. We waren eigenlijk, allemaal samen, met vijftien online want één heeft net een baby gehad en die volgde mee. We delen ons leven en werkervaringen en hun opleiding in deze waanzin. Veel parallellen tussen de verschillende praktijken, ook veel verschillen.

Ik vraag hoeveel coronadoden er tot nu toe zijn. In de veertien praktijken is dit tot nu toe tussen nul en twee, in de mate dat dit bevestigd is. Per praktijk zijn er drie à vier WZC. In één WCZ is er sprake van een verdieping met stervende mensen en is de waanzin infernaal. Het beeld op televisie, zeker in andere landen waar gezondheidswerkers met botten aan rennend tussen de bijna doden rondhollen, is zeker aanwezig, maar niet algemeen.

We hebben het ook over het testen. Het blijft actueel. Gisteren bevestigde één expert het hoog aantal vals-negatieven. “Die testen zijn niet zaligmakend.” Een kwartiertje later beweerde een andere in een andere coronashow dat dit niet waar was. We besluiten dat de essentie blijft om er verstandig mee om te gaan. Als je nu hoge koorts hebt, geur- en smaakverlies en pijn op je kuchende borst en negatief test, dan heb je toch zoveel argumenten voor corona dat die test alleen toch niet de diagnose kan of mag geven? Anderzijds, als je bij een screening positief test en je bent niet ziek, krijg je dan geen symbolische ratel? Is bescherming alleen dan niet voldoende? Als ik zie hoe mensen nu al opzij springen als ik passeer, wat veroorzaak je dan niet als ze echt weten dat je positief bent. Wat zou dat dan niet geven in de scholen: “Die van wiskunde is positief.”

Als je rugpijn hebt en er is niets te zien op een scan, heb je dan geen rugpijn? Als er een hernia te zien is op een scan en je hebt geen rugpijn, ben je dan toch ziek? Heb je dan een operatie nodig? Deze eeuwige discussie gaat nu door; de test bepaalt alles.

"Omgaan met ratio in de wereld van angst is lastig. Omgaan met onzekerheid is ook zo immens lastig, dus ‘moeten’ we iets doen."

Mutatis mutandis voor behandelingen. Voor de waanzin wisten we ook al dat er op honderd kindjes met koorts, minder dan één een antibioticum echt nodig had wegens ernstige infectie. Mensen, ook artsen schatten dat ‘gevaar’ heel vaak (veel) hoger in, dus geven ze maar een antibioticum, voor ‘de zekerheid’. “Je moet toch iets doen”, hoor ik vaak, terwijl ik net vind dat niets doen, ‘watchfull waiting’ noem ik dat, zo waardevol is. Bovendien is dat laatste veel vaker wetenschappelijk ondersteund.

Ook al weet iedereen dat je meer kans maakt om te sterven op weg naar het vliegveld, toch hebben mensen veel meer schrik van vliegen dan rijden. 
Omgaan met ratio in de wereld van angst is lastig. Omgaan met onzekerheid is ook zo immens lastig, dus ‘moeten’ we iets doen. Er is geen wetenschappelijke evidence over chloroquine of azitromycine in de COVID-19-hetze. Toch worden ze massaal aangekocht, verspreid en voorgeschreven. 

Zelf kreeg ik al de opmerking van een directeur van een WCZ dat veel artsen goede ervaringen hadden met die medicatie bij hun patiënten. De wetenschapper in mij wordt dan, zeker na zes weken lockdown, een beetje nijdig. Ik heb geen bewijs dat het niet werkt, hij ook niet dat het werkt. Als mijn favoriet dement mensje, Irééntje 90 jaar, sterft, is het dan doordat ik te halsstarrig ben? En als ze overleeft, is het dan doordat ik het toch voorschreef? En als ze het overleeft zonder antibiotica, heb ik dan gelijk? Gelukkig heb ik in de goede tijden een goed ACP met haar gemaakt en overleg ik met haar enige dochter, altijd makkelijk één dochter in die gesprekken. Anderzijds hoe meer dochters, hoe minder kans dat je in het rusthuis belandt.

Dat laatste weet ik van Atul Gawande, een professor chirurgie in Harvard met roots in Indië, die een prachtig boek schreef, ‘Being mortal’. Sterfelijk zijn en omgaan met het levenseinde versus therapeutische hardnekkigheid. De gemetastaseerde kanker van zijn papa, een uroloog, deed hem nadenken over het levenseinde en de kracht van niets doen. Ik wou dat ze het nu in het drinkwater konden doen, die wijsheid van een chirurg, nota bene.

XII Vluchtwegeltjes (23/4/2020)

Annie, Michels’ vrouw, belt over het been van haar man. Het is altijd gezwollen. Wij artsen noemen dat lymfoedeem, een soort chronische toestand waar je dus niet van afraakt. Bij hem is dat overigens voor een groot deel ten gevolge van een weinig succesvolle knieprothese waar hij, in tegenstelling van mij, zeer fan van was. Zoals alle toestanden die lastig zijn, zijn er honderd remedies, waarvan geen enkel echt helpt. Michel, maar eigenlijk ook Annie kunnen daar moeilijk mee om. Ze denken echt dat er iets zal zijn, liefst een operatie waardoor dit, zie hoger, ‘oplost’. De kiné geeft hem het meeste soelaas, maar is op ‘coronahold’ gezet dus het onvermijdelijke gebeurt: het been zwelt weer wat. Voor de zoveelste keer belt ze daarvoor deze week. Ongelooflijk hoe mensen tijdens deze crisis met gruwel toch zo kunnen focussen op een banaal probleem, dat bovendien geen einde kent. Mijn hoop is dat deze crisis ons ook zal doen inzien dat niet alles opgelost kan worden en dat er nog heel veel is dat we niet weten. Voorlopig ziet het er nog niet naar uit dat dit snel zal gebeuren. Langs de andere kant is het leuk om tijdens deze waanzin nog eens zo’n telefoontje te krijgen over een niet-COVID-gerelateerd probleem.

"Daar leeft en ‘medeleeft’, een huisarts, ook in deze tijden van waanzin."

Ik krijg telefoon van Janelle. Haar man, een vijftiger, was één van onze eerst bewezen COVID-19-patiënten. Er zijn zo’n aantal patiënten van wie je denkt: die gaat het krijgen. Wel, hij is er zo één. Het had hem serieus te pakken, maar is gelukkig kunnen thuisblijven. Veel mee gebeld, ook videoconsultaties; nu is hij terug gaand en staand. Eén van de kinderen, beiden tieners, heeft een soort verkoudheid gehad, de echtgenote niets. Ze werkt in een centrum voor mensen met een beperking, al hebben we dat allemaal denk ik, één of andere beperking. Ze belt om raad. Haar mama is terminaal, niet-coronagerelateerd en wil thuisblijven. Haar papa zorgt voor haar. Bovendien wonen ze net over de grens, waar je in principe niet over mag. De papa zit erdoor, wegens zeer onrustige nachten. Janelle wil een paar nachten haar papa ontlasten en haar mama nog begeleiden.

Als ik daarop strikt de regeltjes wil toepassen, dan ‘moet’ ik zeggen: ”Je mag al de grens niet over, in principe ben je misschien ook nog besmet. Blijf in je kot.” Toch voel ik meer de aandrang om haar een paar kleine vluchtwegeltjes, waar ik vaak over fiets, te verklappen in de hoop dat ze niet aangehouden wordt. Daar leeft en ‘medeleeft’, een huisarts, ook in deze tijden van waanzin. Pas daar maar eens de coronaregels van de sheriffs op toe. Maar er zou beterschap op komst zijn. De Veiligheidsraad komt morgen samen.

Gisteren zag ik nog de pulloverprofessor, in een hemd en mijn hypothese dat de pulls hem kalmeren, lijkt te kloppen. Bij chloroquine dacht men ook wel eerst dat het werkte. Hij is woedend, op zijn beschaafde waardige manier, maar ziedend dat er al gelekt is. Daar gaat het de hele avond over, over het lek. Onverstaanbaar toch dat de ene of de andere het nodig vond om te lekken, mon dieu.

Ik krijg meer en meer mails of telefoontjes van collega’s en ook van één patiënt, waarom zij nog niet in mijn dagboek zijn verschenen. Ook vandaag, net voor de Zoomworkshop over feedback aan praktijkopleiders. Leuk opleidingsmoment en rollenspel via het scherm. Weer iets om content van te zijn, wat het na al die weken eventjes dragelijk maakt.

XIII Regelfetisjisme (26/4/2020)

Net gaan fietsen, op en af door Flanders Fields, tussen veel kerkhoven. Gelukkig hebben ze mij dat fietsen niet afgepakt. “De eerste vier jaren zijn de ergste”, grapten de soldaten vaak in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Moest eraan denken, want het ziet er niet naar uit dat de waanzin op z’n einde loopt. 

Voor het fietsen heb ik nog gebeld met onze thuisverpleegster. Een patiënte, Louisa, 90 jaar, lijkt sinds een paar dagen gedecompenseerd, oedeem, dyspneu enz. We probeerden met diuretica, maar het helpt niet, ze plast niet, nierfalen ook wellicht. De dochter was thuis bij haar gebleven, tegen de regeltjes, uiteraard. Maar ze wou haar moeder niet alleen laten en haar ook niet naar de kliniek doen. Ik had de verpleegster gezegd dat ze mij mocht bellen, gewoon of via Whatsapp, zo nodig tijdens het weekend. Net voor het fietsen had ze dat gedaan. Het ging echt niet goed, met cyanose en extreme dyspneu. Common ground, per telefoon, het blijft lastig. De dochter wil zuurstof voor haar mama. Dat begrijp ik. Ze stelt nu toch eerder de kliniek voor. Oké, doen we dan. Intussen zie ik de mail dat ze negatief getest is. De verpleegster belt mij terug. Ze is net overleden. Ze zou deze week smaak- en geurverlies hebben gehad en veel hoofdpijn. De familie blijft sereen, oef. Ze is wellicht onze eerste coronadode, ook al testte ze negatief. Voor de familie betekent de negatieve test veel voor het afscheid, hoor ik.

In de Zevende Dag was onze ‘eerste’ vrouw. "Zekerheid bestaat niet meer", zei ze een tikkeltje plechtstatig, zoals eerste dames dat dienen te doen. Moest het niet verboden zijn, ik zou haar knuffelen. Eindelijk hebben ze het door. Zou ze mijn dagboek lezen? Misschien had ze in plaats van duizend PowerPoint-slides om 22.00 uur vrijdagavond, één kunnen doen met alleen “Zekerheid bestaat niet meer” en een tweede met “We gaan een paar voorstellen doen waarvan we denken dat het zal werken, ook al lijken ze soms idioot”. 

Als het weekend is, heb je meestal ook Benny een paar keer op je scherm. De beste vond ik deze keer: “We gaan niet aan regelfetisjisme doen.” Als er nu iets is wat al die politiekers aan het doen zijn, met de coronasheriffs op kop, welke felle kleur hun das ook heeft, dan is het toch wel pure mierenneukerij en regelfetisjisme. Benny vond wellicht dat hij niet kordaat was met onvoldoende maatregelen, de erfenis van ‘goed bestuur, voor de mensen’, weet u nog? 

"Wat dat gaat doen aan de cultuur van de angst, wordt in het kader van de (onmogelijke) zekerheid en (onmogelijke volledige) veiligheid even vergeten."

Het lijkt er meer en meer op dat kinderen niet de motor van deze pandemie zijn. Een paar weken geleden klonk het anders, heel anders. Van “zieke kinderen gaan wellicht nooit meer naar hun grootouders gaan” naar “het is het moment om ze daar te droppen”. Ze gaan nu vanaf twaalf jaar een mondmasker moeten dragen. De leerkrachten ook, wat hun leeftijd of gezondheidsantecedenten of zorgelementen of wensen of concerns ook zijn. Verplicht voor en ik citeer, altijd op dreef op zaterdag en zondag, Benny: “de veiligheid”. Wat dat gaat doen aan de cultuur van de angst, wordt in het kader van de (onmogelijke) zekerheid en (onmogelijke volledige) veiligheid even vergeten. Zouden ze daar geen paar mensen met gezond verstand en niet overdreven veel titels in één van die triljoen commissies kunnen steken? Zinzen en Van Cauwelaert mogen wellicht niet buiten?

Mijn oudste dochter is alleenstaande moeder met een prachtig zoontje van 15 maanden. Telewerken uiteraard en de kleine mag niet naar de lokale crèche, zolang, ik citeer het lokale opperhoofd, “er geen zekerheid is”. Mijn dochter is een paar weken geleden al geweigerd in een tuinzaak, wegens die virusoverlopende peuter. Gisteren uit voorzorg naar een andere tuinprocedure gebeld. Neen, mag ze ook niet binnen. Maar regelfetisjisme, neen hoor.

Voetbal is de belangrijkste bijzaak ter wereld en daar gaan ze zich ook mee moeien. Gezonde twintigers en dertigers gaan niet meer mogen fluimen op het veld, knuffelen na een goal al zeker niet. Er gaan stemmen op om maskers te verplichten en om ook het tackelen te verbieden. Zo’n sport bestaat toch al en het is ook nog eens gemengd: korfbal. 

Op zondag bel ik ook al eens met mijn maat en jaargenoot, Jo, in Nairobi, waar hij woont. Hij werkt vandaaruit in Somalië. Daar blijven de moskeeën, met het begin van de ramadan, wel open. Hij kan er voor het ogenblik niet naar toe. In Kenia moet je een mondmasker dragen, ook in de auto. Boete is 22.000 Keniaanse shilling, rond de 200 euro, voor sommigen een jaarloon. Het is onduidelijk of de piek nog moet komen en of er ondergerapporteerd wordt. Veel klinieken sluiten, geen beademingstoestellen enz.

Er is maar één rode draad, wereldwijd, en dat is regelfetisjisme, Benny toch. Naar aanleiding van een artikel over Kafka in de Knack, google ik de definitie van Kafkaiaans: een zinloze, desoriënterende en nachtmerrieachtige complexiteit of zoals de definitie in Knack: ondoorgrondelijkheid van het systeem en de daarmee gepaarde machteloosheid. 

Naast veel nadenken over dingen waarvan je tevreden kan zijn, is er een andere truc om je geestelijke gezondheid mee op peil te houden in deze waanzin: denken dat het nog erger kan. Voorlopig zijn er geen aanbevelingen of adviezen rond injecties van bleekwater hier. Onduidelijk en irritant wel, maar gelukkig niet gevaarlijk, onze leiders.

XIV Syrische helden (30/4/2020)

De pretriage COVID-19 is heel druk, de zes uur shift vliegt voorbij. Ik begin het ook in de vingers te krijgen. Eerst omkleden in de locker na mijn spoedpakje uit de robot te hebben gehaald. Sleutel niet vergeten deze keer. Dan werken met de badge door de verschillende poorten tot aan mijn coronacontainer, waar een vriendelijke verpleegster mij staat op te wachten. Ik hoor dat de vorige met wie ik werkte, thuis zit met COVID+. Even slikken toch, doet gelukkig geen pijn dat slikken.

Ik krijg de indruk, zonder te veroordelen, dat er nogal wat huisartsen snel doorsturen naar de triage. Een mentaal geretardeerde jonge dame heeft immense keelpijn, ik hoor het als ze babbelt en ze tatert wat af. Ze braakt ook en heeft buikpijn. Ze heeft via de telefoon of de videofoon azitromycine gekregen uit zogenaamde voorzorg. Ze is heel bang van de corona, want dat snapt ze goed, daarom kan ze niet naar het instituut waar ze verblijft. Even met de tongspatel gekeken, forse angina. Ik versta de collega wel, ze heeft immers koorts, maar we zitten toch allemaal een beetje in de tunnel, vind ik, vrees ik.

Voor de rest bijna allemaal zorgpersoneel om te testen, geen zware gevallen meer. Dokters, verpleegsters, veel met een ‘niet-van-hier’ achtergrond, zoals ik dat noem. Er is ook een koppel artsen, zij pneumologe in opleiding, hij assistent op spoed. Alle twee hebben ze geur- en smaakuitval, subfebriel, hoesten. Zij test positief op antigen, die test gaat immers snel en wordt voor de artsen hier gebruikt. Hij negatief. Zelfde symptomen, heel waarschijnlijk allebei COVID. Ze hebben een Iraanse achtergrond, maar wonen al heel lang hier. Ze vindt het leuk als ik haar vraag of ze dan een sjiiet is. Ze gaan alle twee in quarantaine. Of dat lastig wordt met de ramadan, vraag ik. “Gaat wel”, zegt ze en glimlacht alweer. Eén verpleegster heeft Syrische roots. Een andere Turkse. De verpleegsters krijgen alleen de PCR. Duurt 24 uur. De artsen beide. 

De meest schrijnende verschijning van de namiddag is een Syrische vluchteling. Ze kan nauwelijks praten en wordt begeleid door haar oudere zus die een beetje Frans kan. Een heel klein beetje. Ze hebben beiden overduidelijk sclerodermie. Er is een verwijsbriefje, met wat gekrabbel, waarop een RX gevraagd wordt voor rugpijn, na een val in het vluchtelingcentrum. Het jongste meisje oogt bang en heeft een zwaar mentale achterstand. Ik zie het en lees het ook in haar dossier, met ontelbare rapporten over ontelbare consultaties in het ziekenhuis.

"Alleen als ik het woord ‘politie’ uitspreek, lijkt ze mij te verstaan, maar dan wel omdat ze lijkt te vrezen dat die haar gaan meenemen, onmiddellijk."

Waarom ze hier zijn terechtgekomen, versta ik, ondanks doorvragen, niet. Ondanks herhaaldelijk bellen naar het centrum, zitten ze vier uur later nog te wachten in een koude tent voor de spoed. De oudste verstaat niet waarom ze pilletjes gekregen heeft, want ze kan die toch niet nemen: “Het is ramadan.” Ik probeer haar ook uit te leggen dat de ‘taxi’ op komst is. Hij komt niet. Ze wil weg. Ze zegt terug iets over ramadan en maakt het universeel eetgebaar, met haar handje. Ik probeer haar uit te leggen dat weglopen, met de ziekenhuisrolstoel waarin haar zusje zit, gezien haar asielstatus, geen goed idee is. Alleen als ik het woord ‘politie’ uitspreek, lijkt ze mij te verstaan, maar dan wel omdat ze lijkt te vrezen dat die haar gaan meenemen, onmiddellijk. Man, toestanden. Dat pakt mij. Ik heb een grote mond en scherpe pen, maar een klein hartje. De verpleegster die mij assisteert, of ik haar, vertelt mij dat de mensen uit het centrum altijd zo lang moeten wachten. Man, toestanden.

Heavy toch zo’n shift. ‘s Avonds zie ik de grote leider van de partij van de blauwe kostuums op tv. ”Alle helden verdienen een premie.” Ik wou dat hij in plaats van op zijn borst te kloppen was mee geweest naar mijn container en had gezien hoeveel ‘helden’ hij wil terugsturen. 

In één van de coronashows hoor ik dat telkens als de regering communiceert, de bevraging naar de motivatie daalt. Ik hoor ook ergens, als ik het goed begrijp, dat de ‘fysieke afstandsaanbeveling’ tot 33% gevolgd wordt in Zweden, tegen 5% hier. 

Ondertussen maken de scholen en de crèches zich klaar voor de doorstart. Leraars zouden nu toch geen mondmasker moeten dragen. Lijkt mij verstandig om goed gehoord te worden. Wel plexiglas. Wij durfden vroeger wel eens op het college met kleine propjes spuwen naar een leraar. Ik weet niet of ze dat nu nog doen, maar met dat plexiglas zijn ze daar ook vanaf. Twee vliegen in één klap, of beter, één vlieg en één virus. Ik hoor van een crèche die de bedjes van de baby’s en peuters de heilige, anderhalve meter, uit elkaar wil plaatsen. Soms wou ik dat ik een struisvogel was.

Ook de klinieken trekken zich op gang. Ik hoorde – kan een roddel zijn of misschien zelfs fake news – dat in een nabijgelegen kliniek een orthopedist en een vasculaire chirurg net niet op de vuist gegaan zijn om als eerste een dringende niet-essentiële operatie te doen, volgende maandagochtend. Business as usual, ik vreesde er al voor.

Eindelijk ook een beetje niet-coronanieuws, of toch wel: Kim Jong-un is vermist en ze zoeken hem nog ook. Misschien interessant, misschien een goede denkpiste. Want hoewel dit een buurland is van China en Zuid-Korea, alle twee fel getroffen, zou er in Noord-Korea geen enkel geval zijn. 

XV GDPR-waanzin (3/5/2020)

Fietsdag en zevende dag. Iets frisser en wat meer wind dan mijnheer Frank voorspeld had, maar pittig ritje gedaan. Twee wereldkampioenen gekruist, vader en zoon, op mijn parcours, alstublieft. De boeren zijn aan het ploegen en dan komen de obussen boven. Zij zetten ze netjes voor hun hof tot die worden opgehaald. Veel minder volk op de baan dan de vorige weken. Zijn de goede voornemens uitgewerkt, is het te koud of moeten ze rusten voor morgen, de nieuwe start?

Daar ging het over in ‘De zevende dag’. De pulloverprofessor was terug. Lang geleden. Hij vindt dat een deel van de warrigheid waarin wij leven, te maken heeft met de organisatie van onze staat. Ik vind dat ook. Als testen een federale bevoegdheid zijn, maar de tracers of corona-inspecteurs door de deelstaten worden gestuurd, dan heb je terug twee kapiteins op een schip. Moeilijk om dan de koers te bepalen, natuurlijk. Wie begrijpt dat ook nog, de organisatie van ons land? Er zijn natuurlijk nog landen met een federale organisatie, zoals Duitsland. Maar daar zeggen ze: “We gaan niet zeveren of ruziemaken over wie zich op de borst mag kloppen, pragmatisme gaat voor, jij aan het roer en de ander op het dek.” Naar verluidt zou het net door zo’n discussies om het woord ‘zever’ niet te gebruiken allemaal zo lang geduurd hebben op de Nationale Veiligheidsraad vorige vrijdag. Benny zou een centrale rol gespeeld hebben.

De journalisten staan weer scherp. Ik ken de mannelijke, nog veel tegen gebasket. Lastig om op te verdedigen. Hij had een goed driepuntshot. De vragen zijn altijd dezelfde: “Kunt u garanderen dat de veiligheid gewaarborgd zal zijn?” Wat is dat nu voor een onzin. Natuurlijk niet. Wat denkt hij: dat de coronawaanzin zal overgaan met een miljoen halve maatregelen bij de doorstart? Ook nooit een kritische vraag over de waarde van de testen of het nut van koorts meten of wat al die verplichtingen doen met onze vrijheid en of dat wel wettelijk is. De laatste jaren worden we, ook als huisarts, om de oren gezwierd met GDPR-regeltjes en nu mag je plots bij iedereen de koorts meten. Ik had het zelf aan mijn been of hoofd, toen ik tijdens de wachtdienst gisteren, een overlijden moest gaan vaststellen in een WZC.

"Hoe minder verbinding we hebben, hoe meer kans om niet ziek te worden, lijkt het. Verbinding is toch even essentieel in ons leven als zuurstof, niet?"

Gingen ze mij niet binnenlaten dan? In een ander WZC waar ik een oude krijger ging hechten, moest mijn koorts helemaal niet gemeten worden. 
Hoe meer regeltjes, onduidelijke vooral, hoe meer je er kan overtreden en hoe meer je zelf verantwoordelijk bent. Wat gaat dat doen met het schuldbesef van mensen en kinderen? Meer regeltjes en perfect volgen, anders ben je niet flink. Dat is toch een toxische mix voor de zielen, die zo al onder spanning staan.

Er wordt alleen gefocust op het somatische. Koorts, hoest, testen, COVID. De maatregelen zijn afstand. Hoe minder verbinding we hebben, hoe meer kans om niet ziek te worden, lijkt het. Verbinding is toch even essentieel in ons leven als zuurstof, niet? Misschien zouden ze daarmee eens iets kunnen doen, als ze toch per se daadkrachtig willen zijn. Waarom vragen ze bijvoorbeeld niet Dirk Dewachter, als dan toch alleen een professor-expert in al die commissies mag zitten? Die is ook nog eens getrouwd met een huisarts. Terug twee vliegen in een klap.

De waanzin duurt nu bijna twee maanden en op één of andere manier hebben we allemaal een duwtje op onze ziel gekregen. Ik las dat mensen meer en raarder droomden. Het aantal ruzies en agressie, ook binnen de gezinnen, zou toenemen. In Wuhan zou er, na hun lockdown, massaal veel gescheiden worden. Goed nieuws voor de advocaten.

Terug goed nieuws uit Noord-Korea: Kim Jong-un is terecht. Hij is de enige die nog rookt op tv. Nu als je geen corona in je land hebt, vermindert wellicht de motivatie voor dieet en rookstop. Eén van de grappigere dingen in deze waanzin is dat je rokers hun mondmasker omhoog ziet doen in de auto of langs de straat om een sigaret te paffen. Hilarisch vind ik dat. Ik zag er ook zo ééntje, zittend, op zijn rollator in een bushokje.

Humor missen we toch een beetje, vind ik. In Frankrijk en de VS wordt veel satire uitgezonden, zelfs in deze waanzin. Niemand die zich geroepen voelt om de pulloverprofessor satirisch te imiteren of nog beter, Benny. Niet gezien dit weekend op het scherm. Ik begin er meer en meer van overtuigd te raken dat ze in die hoek mijn dagboek lezen.

XVI Biopolitiek (7/5/2020)

Voilà, ’t is gebeurd. Ik ben weer iets als een huisarts, zij het met mondmasker en witte schort. Maandag nog aarzelend, al stond Micheline, 83 jaar, hier van oudsher op de eerste maandag al aan de deur te wachten, voor wat mijn nog enige vrije raadpleging was, die nu ook op afspraak is. De transitie naar de doorstart verloopt langzaam maar zeker.

Gisterenmorgen afsprakenblokje gehad. Om het half uur een patiënt, zalig. Terug bloed afgenomen, een hart beluisterd, een knie onderzocht, een zwangere blij gemaakt met de harttonen van haar baby en een gesprek gehad met Etienne die eergisteren weduwnaar geworden is. Hier hebben we geopteerd om er niet te veel deuren of muren in te smijten of groene linten op de grond te kleven. We gaan de triage, nieuwe stijl, in een lokaal consultatiebureau van een lokale polikliniek doen. Eén huisarts van onze kring gaat, op afspraak, dagelijks twee uur permanentie doen en testen.

Geen para’s gezien dit weekend, maar toch hebben we testen en testmateriaal en outfits. We hebben een Whatsapp-groepje van de kring waar we dagelijks de nieuwe verdachte gevallen aangeven. Dit is nu toch ferm gedaald: per praktijk 0 tot 2 nieuwe gevallen per dag.

De teugels worden ook wat gevierd. Onduidelijkheid blijft troef, uiteraard, maar wel met veel gevoel gecommuniceerd deze keer. Geen PowerPoint, een glimlachje erbij, toegevend dat het inderdaad niet makkelijk is. De ene maak je blij, de andere stel je teleur. Leren uit de fouten, mooi. Ze dan nog eens toegeven, met de glimlach, nog mooier. De coronasheriffs of hun assistenten staan en zitten wel wat te wiebelen van ongemak, maar geen vingertjes in de lucht, ook al ‘piekt’ het een beetje bij een paar zie ik. Maar de grondtoon na twee maanden waanzin en paternalisme is duidelijk. Wij willen verbinding geven aan de bevolking. Ik kan het niet genoeg herhalen, ze lezen dit dagboek.

"Mijn geestdrift in shopping is weinig toegenomen en toch bewonder ik de inspanningen van al die zelfstandigen om terug open te gaan."

Mijn geestdrift in shopping is weinig toegenomen en toch bewonder ik de inspanningen van al die zelfstandigen om terug open te gaan, zelfs als ze geen topverkoop verwachten. Chapeau. “Als veilige seks leuk kan zijn, dan veilige shopping ook,” hoorde ik op tv. Metaforen hebben soms hun kracht, maar soms verlammen ze toch een beetje. Als je continu “het is oorlog, maar blijf in je kot” roept, heb je niet alleen beeldspraak, maar ook tegenspraak. Met die ‘safe shopping’ ben ik er nog niet uit, wellicht wegens geen ervaring daarin.

Langzaam maar zeker is er al eens een item in het journaal of in de coronashows dat niet over het virus gaat. Stel je voor. Zorgvuldig uitgezocht uiteraard en voldoende angstopwekkend uiteraard. Het grondwater daalt zorgwekkend, bijna alle bruggen staan op invallen, want we mogen toch niet denken dat we gerust gaan zijn in de toekomst. Ook stillekesaan over screening en kankers beginnen natuurlijk, met reclame voor vooral vals-positieve en dus angstinducerende testen. Angst induceren over de zogenaamde tweede golf kan uiteraard ook niet achterblijven.

Dr. Knock is de naam van een toneelstuk uit 1923. Een huisarts met die naam gaat in een rustig Frans bergdorpje wonen, waar weinig zieken zijn. Hij leert de bevolking om dagelijks de temperatuur te meten. Zijn kernslogan is: “Une personne en bonne santé n’existe pas, une personne en bonne santé, c’est un malade qui l’ignore.“ Kortom, iedereen ziek. In een paar weken is de apotheek overbevraagd, het café een kliniek geworden en iedereen angstig. Of er gehamsterd wordt, weet ik niet. Voor de waanzin had ik al het gevoel dat die fantastische ziener, Jules Romains, in 1923 onze ‘vandaag’ had voorspeld. Wij zijn er niet ver meer van af, als we er al niet inzitten.

Biopolitiek is een term die populair geworden is door de filosoof Foucault, ter aanduiding van politieke systemen waarin ‘biomacht’ wordt uitgeoefend. Het verwijst dus naar politieke praktijken die het biologische leven van mensen centraal stelt en probeert te beïnvloeden, te sturen of te beschermen. Ik had het erover aan de telefoon met mijn senior-collega en maat Marc. 

Voltaire, ook een Frans filosoof en gelovig mens zei: “Als God niet bestaat, hadden ze hem moeten uitvinden.” Ik denk dat dit ook geldt voor het coronavirus. Al is dit laatste als grappige opmerking bedoelt, want sommige oranje machtshebbers denken echt dat het gefabriceerd werd.

XVII Koning Cnut (9/5/2020)

Een bezorgde papa belt mij gisterenavond op. Of het wel een goed idee is om zijn 12-jarige zoon die puffers gebruikt, volgende week naar school te sturen. Hij is een angstig man, kind van een angstige moeder, die met zijn drie zoontjes om de haverklap, voor de waanzin al, naar de spoed en kliniek liep. Twee van de drie gebruiken puffertjes zonder echte diagnose. Ik probeer hem rustig uit te leggen dat zijn zoontjes’ kans om dom te worden groter is dan ernstig ziek. Ik voel en heb dat wel meer bij die man dat mijn haring niet braadt, zoals ze hier zeggen. Hij verwacht dat ik ‘go’ roep of ‘thuishouden’. 

De regel van vier wordt vanaf morgen ingevoerd. De bangerds zullen banger worden, vrees ik, en de nieuwe regeltjes interpreteren met nog een extra paar half dozijn andere maatregelen erbij, die evenveel effect hebben als het strooien van roze poeder elke avond in mijn tuin tegen olifanten. Voor de zekerheid. De West-Vlaming op de moto in de koers zei het nog deze week: “De enige zekerheid is dat er geen zekerheid meer is.” Hij had het wel op de wielerkalender, maar toch. ‘Gezond verstand’, het nieuwe woord betekent in de mond van de coronasheriffs ‘doe wat ik zeg’, dat willen de bangerds. “Geef mij regeltjes, hoe meer hoe liever zodat ik niet meer bang moet zijn.” En als dat niet volstaat, verzin ik er nog een paar, niet-aangetoonde, effectieve bij zoals die directeur van dat schooltje: mondmaskers voor de kindjes want de helft van de ouders willen dat. Hoe dichter bij waanzin kun je komen? Of hoe toxisch is die wurgende combinatie van angst en perfectionistische drang naar volledige controle en zekerheid? Klaar om naar school te gaan: helmpje op, fluovestje aan en je mondmaskertje om. Neen beter geen kusje. 

De ‘cool kids in town’ aan de andere kant van de Gauss-angstcurve gaan nonchalant hun hip mondmaskertje scheef laten hangen, net als hun jeans, en een party houden want ze zijn toch oké met dat masker. Dat is hun interpretatie van gezond verstand, vrees ik. Die zijn ook gevaarlijk, misschien nog gevaarlijker. Die bellen ons ook niet op om advies of tips.

"Hij beweert dat statistici aantonen dat er weinig invloed mogelijk is op de duur van een epidemie."

Alle mensen daartussen weten ondertussen wellicht dat we van dat microscopisch monstertje nog niet vanaf zijn en gaan het ‘gezond verstand’ à la Marc Noppe gebruiken. Afstand houden, handen wassen en indien echt nodig, een mondmasker. Voor de rest zo gewoon mogelijk doen. Ik denk en hoop dat ik tot deze club van ‘gezond verstand’ hoor.

Ik heb een patiënt, voor de waanzin ongeveer de enige die mijn e-mailadres had, die mij af en toe een artikel uit een kwaliteitskrant stuurt. Vooral als Luc Bonneux, een Belgische epidemioloog die in Nederland werkt, auteur is. Hij is een hardcore EBM-er met een vlijmende pen. Ik ben een mak schaapje vergeleken bij die kerel. Hij beweert dat statistici aantonen dat er weinig invloed mogelijk is op de duur van een epidemie. Dit staat bekend als de ‘Koning Cnut’-bias in de epidemiologie. Koning Cnut beval zijn troon aan de vloedlijn te zetten. Toen de zee aan zijn voeten kwam, beval hij haar om zich terug te trekken. Jullie gaan het niet geloven, maar dat deed ze. De hoogte van de piek is wel te beïnvloeden door afstand te houden, bejaarden te beschermen en massabijeenkomsten te vermijden. Dat drukt de piek. De rest, winkels sluiten en in je kot blijven is, beweert Bonneux, gelijk aan jezelf geselen, zoals in de middeleeuwen gebruikt werd om de pest weg te houden.

Deze week ook veel Zoom-lessen gehad, met haio’s en PO’s en studenten. Ik heb vernomen dat er in één dorp in de Westhoek slechts twee coronapatiënten zijn. Bij navraag spijtig genoeg geen hotel met zwembad in het dorp, voor mijn eventuele zomervakantie.

Het is prachtig weer, dus ga ik vandaag fietsen met mijn tweede dochter die terug is uit Leuven. Straks sluit mijn jongste aan. Perspectief, sinds lang. Menu: ‘steak tartaar met frietjes en zelfgemaakte mayonaise’, daar is mijn jongste expert in.

XVIII Het nieuwe normaal (15/5/2020)

Vincent, 57 jaar, heeft diabetes, niet super geregeld en hij rookt, wat hem wat kortademig heeft gemaakt. Hij had een huwelijk met een dame die gedurende hun tijd samen meer in dan uit de psychiatrie was. In de weinige tijd dat ze onder het echtelijke dak vertoefde, had hij er een fulltime job aan om naast echtgenoot ook ‘privédetective’ te spelen om te zien of ze niet aan een boom hing, pilletjes nam of iets anders in die aard. Een paar jaar geleden heeft ze zich onder een trein geworpen en werd hij weduwnaar. Hij blijft daarover, voor mij, met een vreemd schuld- of verantwoordelijkheidsgevoel worstelen. Een paar weken geleden, in de waanzin, kwam hij op consultatie. Hij heeft een nieuwe vriendin, maar het wil niet goed lukken tussen de lakens. Nu een beetje suiker, een beetje nicotine en wat Inbev-producten zijn geen goede mix voor je microvaten, dat weten we, en dan nog eens de stress van het nieuwe.

Zijn ogen straalden zoveel hoop uit dat ik hem een doosje versterkers voorschreef. Zijn vriendin woont niet in de buurt, dus moest hij ook nog eens via sluipwegen naar zijn nieuwe vlam. Dat was toen nog geen essentiële verplaatsing. Deze morgen was hij terug. Om een nieuwe doos, liefst een grotere. Hij straalde zoals ik hem nooit heb weten stralen. Hij vroeg zelfs geen slaappillen, deze keer, alleen een puffer en een doosje bedvitamines. Het mochten ook straffere zijn. 

Een andere patiënt, een architect, was gevallen en had een pijnlijke hand. Via zijn 3D had hij nog speelgoedschermpjes gemaakt voor op de praktijk. Van een collega-huisarts hoorde ik dat die ‘shields’ veiliger zijn dan maskers. Ze zijn echter iets minder stevig dan de producent zelf, maar zo’n mooie attentie. Desnoods houd ik ze als souvenir van deze periode.

Ik mocht deze week ook mijn floormanager terug verwelkomen. Haar handen jeukten om mijn stapels hemden en pulls, het nieuwe statussymbool, te lijf te gaan met waspoeder. Zalig. Mijn ‘kot’ ruikt ook terug lekker, alles is gesopt en gepoetst. Een voorzichtig stapje naar het nieuwe normaal.

Dat was de opening van de winkels ook. De dedain echter waarmee de journalisten de mensen die rij stonden te schuiven op zoek naar wat goedkope spullen, becommentarieerden, was hartbrekend. Het toontje was belerend en zinnetjes als ‘kan je op je buik schrijven’ getuigen niet van respect voor je kijkers, vind ik. 

"De bochten en regeltjes en maatregelen waaraan leerlingen en leerkrachten onderworpen worden, lijken hallucinant"

De hele schoolsaga gaat zo ook stilletjes mijn pet te boven. In het begin van de waanzin gingen ze de scholen nog openhouden voor de groepsimmuniteit. Die laatste schijnt in ons landje laag te zijn, in tegenstelling met bijvoorbeeld Zweden. De bochten en regeltjes en maatregelen waaraan leerlingen en leerkrachten onderworpen worden, lijken hallucinant met betrekking tot de gezondheidswinst of anders heb ik het niet begrepen. Bovendien moeten andere leerlingen dan thuisblijven, mogen peuters wel met twintig naar de opvang maar niet naar school. In een aantal crèches moeten de baby’s een gepersonaliseerde thermometer mee hebben, wat nog allemaal?

Hoe leg je aan je kleuter dat hij niet in de speeltuin mag, maar wel naar de zoo? En als binnen een paar weken de epidemie stilletjes stijgt, is het dan omdat de scholen zijn opengegaan en de speeltuintjes dicht of is er misschien een andere reden of oorzaak? Als je een triljoen maatregelen neemt, zal er wel ergens een goede bij zijn en misschien ook een mindere. Als er veel vrouwen in monokini liggen, worden er veel ijsjes verkocht. Dit heet een correlatie, dat is niet de oorzaak of het gevolg. De warmte door de zon is dat wel.

Ondertussen zie ik peuters die angst aangepraat worden voor ziektes dat ik mij afvraag of ze daar ooit nog vanaf komen. Sommige kindjes krijgen te horen dat ze niet naar school of de speeltuin kunnen, omdat oma anders doodgaat. Veerkracht stimuleer je toch door kinderen te leren omgaan met angsten en niet met angstinductie alleen. Kindjes mogen gewoon bang zijn van de boze wolf en dan kunnen wij, papa’s en mama’s, zeggen ‘de boze wolf bestaat niet of als hij komt geven wij hem een trap’. Neen, oma gaat dood als jij niet flink bent. Mijn papa zaliger heeft de dag van zijn plechtige communie doorgemaakt op 12 april 1944, in een bommenschuilkelder. Hij hoorde alleen niet graag sirenes, maar voor de rest een opgewekt, vrolijk man. Het was zijn schuld niet, de bommen, alleen even geen taart, maar doorbijten in de kelder.

Hoe raken we daar ooit nog vanaf, van die mondkapjes, zoals het nu op zijn Hollands heet? Een visum om naar zee te gaan en misschien een PCR-test op de luchthaven en dan nog ééntje als je in je hotel aankomt in plaats van vroeger een welkomstdrankje. Schermen tussen de tafeltjes, misschien ook in het zwembad, omringd door dames in trikini’s, met handschoenen vijftig tinten grijs te lezen, de zwembadroman per uitstek sinds jaren.

Wordt er nog gedanst ‘s avonds op Ibiza of op trouwfeesten? Wordt de slow afgeschaft binnenkort? Wordt je Tinderapp, voor de liefhebbers, straks aan je corona-app gelinkt? Wat een toestanden, welk boeltje hebben we ervan gemaakt. Het nieuwe normaal is een futuristische collectieve angstpsychose met een sausje of bedje van smetvrees.

XIX Megaverwarring (17/5/2020)

‘De zevende dag’ opent met de nieuwe witte merel van de socialistische partij. Ik heb nog gebasket met zijn papa tegen ‘De zevende dag’-journalist. Nuchtere fijne jonge kerel. ‘Is er dan geen nulrisico?’, hoor ik de journalist vragen. Wat een vragen. Op wat is er nu nulrisico? Zouden de media niet beter een beetje positiever zijn in de begeleiding? Al dat gedoe ook over de tweede golf. Volgens pandemiekenners is er altijd een tweede golf. Misschien zouden we beter eens bekijken wat in de eerste werkte en waar we elders iets kunnen leren in plaats van weer te doen of er ‘nulrisico’ is en dat dat alleen maar afhangt van een triljoen maatregelen.

De professor met hoog rock-‘n-rollgehalte wil de scholen open, zo ook een kinderarts. Goed plan is dat. Als je de filmpjes bekijkt van de try-out, dan ziet het er allemaal een beetje ingewikkeld en potsierlijk uit. Veel spanning ook bij de leraars horen we. Ik merk bij mijzelf ook dat consultatie doen met masker of scherm lastig blijft. Het went niet. Het blijft onnatuurlijk aanvoelen en ik blijf fouten maken. Ik heb dan ook geen nulrisico op jeuk. Het lastigste is de telefoon aannemen met dat masker of scherm. Voor een klas met masker de regel van drie uitleggen zal ook wel geen makkie zijn.

De coronaspeurders zijn deze week ook aan het werk gegaan. Beetje met vallen en opstaan, zo te horen. Misschien daarom dat ze de doelvrouw van Anderlecht aangenomen hebben. Niet evident en onuitgegeven uiteraard, iemand bellen om te zeggen dat je ongewild in contact kwam. Ik hoorde van een mevrouw dat ze een telefoontje had gekregen. Ze wist het al, want het was haar man, een pneumoloog, die positief had getest. Dat werd er niet bij gezegd. Hoe discreet kan en mag je zijn?

"Het lijkt helemaal niet op safe sex, eerder op je voeten wassen met je sokken aan"

De kappers mogen ook terug open, hoewel maandag de officiële kappersrustdag is, niet? Het wordt ook een heel gedoe met maskers en gellekes voor in de handen, niet dezelfde als voor in het haar. Wat doen al die mensen niet, kappers, mensen met winkels en andere zelfstandigen om te mogen werken? Te bewonderen, al lijkt het ook krampachtig. Dat is ook wat de professor psychologie van de VUB zei. Versoepeling geeft terug meer spanning. In je kot is in je kot, dat is duidelijk. Bubbels van vier, zoo open, winkels open maar niet voor fun, maar voor runshopping, een uitvinding van de coronasheriff, zijn terug voer voor megaverwarring. Zelf heb ik mij gewaagd aan een bezoekje in mijn favoriete boekwinkel. Babbeltje gedaan met de uitbaatster en een historische roman aangeschaft. Leesvoer voor de volgende dagen. Ik kijk er naar uit. WOII in mijn kot. De eerste hoofdstukken waren alvast veelbelovend.

Er is wel ook goed nieuws en niet uit Noord-Korea deze keer. Er wordt terug gevoetbald. De definitie van voetbal is volgens voormalige Britse spits, Gary Liniker, een spel van elf tegen elf en op het einde wint Duitsland. Ook nu, de eerste post- of transcoronawedstrijd is in Duitsland, Dortmund tegen Schalke 04. De Duitsers hebben gewonnen, 4-0. Een match zonder toeschouwers, ik denk niet dat dat went. Het lijkt helemaal niet op safe sex, eerder op je voeten wassen met je sokken aan. Niet dat ik het allemaal beter weet, maar de exitstrategie is nog complexer dan de waanzin op zich. Of kan ik niet meer om met veranderingen?

Grootouders jonger dan 65 jaar en in goede gezondheid mogen ook terug op hun kleinkinderen passen. Ik hoop dat mijn oudste dochter dat niet gehoord of gelezen heeft. Ik dacht eerder aan samen naar de voetbal gaan, met mijn kleinzoontje.

Gelukkig vandaag terug een ferme fietstocht gedaan, de tweede deze week. Ik sta messcherp en na een tochtje voel ik de endorfines zo door mijn lichaam stromen.

XX En daar is geen water (21/05/2020)

O.L.H.-Hemelvaart, dus vrij, dus terug ferme fietstocht gedaan met mijn mountainbike Marcel in schitterend zomers weer. Zonder water gevallen, maar gelukkig een behulpzame familie die buiten voor hun huis onder de parasol zat en mij een verse drinkbus aanreikte. Solidariteit in coronatijden, mooi. Geen gepoespas van maskertjes, gewoon mijn fietspull, cadeautje van mijn jongste, met fris water vullen en terug vooruit en omhoog.

Gisteren thuis ook zonder water gevallen. Onvoorstelbaar wat een diversiteit aan elektromechanische en andere pech er hier al geweest is gedurende de waanzin. Er was al de lekke band, de telefoon en internetcrash, nu geen water. In heel het dorp niet. Ik heb mij gewassen en mijn tanden gepoetst met een flesje Frans bruisend water. A la guerre comme à la guerre. Dan ook nog eens tijdens een Zoom-sessie een nieuwe pc-crash. Ik ben geen handige Harry en heb dan hulp nodig. Gelukkig vind ik die bijna altijd snel. Maar elke onnozele tegenslag weegt zwaar. Telkens is er een gevoel van, ook dat nog. Het hondje van mijn jongste dochter, Heckie, is dan nog eens door de hor gesprongen van de veranda, bij een bezoekje. Gelukkig zonder erg. 

Ze beginnen binnen te sijpelen, de patiënten die ik in de telefonische consultatieperiode geadviseerd heb om in hun kot te blijven. Soms met mineure symptomen, soms met meer heftige. Tot mijn verbazing zie ik toch veel antistoffen, bij zestigers, zeventigers. Ik vraag mij af of die fameuze groepsimmuniteit toch geen beetje hoger is dan nu ingeschat.

Johan kreeg een positieve PCR-test op paasmaandag op spoed en werd terug naar huis gestuurd, toch wel flink ziek. Met zijn vrouw Mieke die mineure symptomen vertoonde, geur- en smaakverlies en een hoestje, overlegde ik op een bepaald moment bijna dagelijks wat we gingen doen. Binnen voor zuurstof of meer of toch thuisblijven. Uiteindelijk is hij thuisgebleven. Het koppel, vijftigers, heeft een slagerij, beste américain préparé van de wereld. Die mis ik nu ook al, al die tijd.

"Hij blijft kortademig, moe. Hij is bezorgd of hij nog wel ooit aan het werk raakt."

Op het feest van de verrijzenis kreeg de beenhouwer zijn test; op de vooravond van de hemelvaart is hij zeker noch verrezen, noch genezen. Het virus heeft er wel goed ‘ingehakt’. Hij blijft kortademig, moe. Hij is bezorgd of hij nog wel ooit aan het werk raakt. Ze zijn zeer dankbaar voor de begeleiding gedurende de quarantaine en hebben zelfs een geschenkje mee. Neen niet mijn préparé.

Hij neemt een ACE-inhibitor die eerst wel en dan niet een soort van ontsteker zou kunnen zijn voor een heftigere reactie. We hebben nog veel te leren over dat beestje.

Deze week hebben we een stagiaire. Ze doet verbazend snel mee in onze nieuwe routine. Ze helpt spontaan papier verversen op de onderzoekstafel en had zelfs, ongevraagd, een witte schort mee. Ik zie voorzichtigheid, maar geen bangheid. Ze denkt mee. Mooi. Nieuw huisartsenbloed.

Gisterenavond laat mochten de tweede bewoners opeens terug naar hun caravan, appartement of luxevilla. Vele van die duizenden mensen stonden precies vertrekkensklaar want er zijn er die onmiddellijk uitgerukt zijn. Dat begrijp ik wel, zo eens verse andere lucht gaan opsnuiven na weken in je kot. Naar je andere thuis. Ik wou, nu voor het eerst, dat ik zo’n stulpje had. Uiteraard onmiddellijk terug controversie en onduidelijkheid. Mogen je kinderen in je plaats gaan?

De oranje president slikt ter preventie chloroquine. Ik heb het lastig of ik dit of het verhaal van katje Lee die rabiës zou hebben, het idiootste nieuws van de week vind. 

XXI De zevende dag (24/05/2020)

Wind op kop gaan fietsen, stukje Wallonië, stukje Frankrijk, stukje Flanders fields, overal dezelfde kerkhoven waar in deze periode, corona of niet, de klaprozen hun bloei hebben. ‘Flanders fields where puppys grow, row…’, gedichtje van onze Canadese collega. Ik fiets door en rond het bos van Ploegsteert, Plugstreet zegden de Britten. Winston Churchill zat hier een paar maand tijdens WOI. Nadat hij later als premier Engeland door de Tweede Wereldoorlog gidste, werd hij bij de eerste verkiezing genadeloos weggestemd.

Daar ging het over in ‘De zevende dag’, deze morgen. Misschien nieuwe verkiezingen. Hoe gaan ze dat organiseren? Op ‘veilige’ afstand met de vogelpik gooien naar hun portret of met een soort vislijn, zoals de eendjes vangen op de kermis? Een klasje herorganiseren is een ramp, verkiezingen een makkie, krijg dat uitgelegd en verstaan.

Ze gaan eerst nog een beetje palaveren, of eigenlijk niet want dat doen Afrikaanse stamhoofden, waardig tot ze uit een bottleneck geraken. Essentieel gaan ze hier op dezelfde manier verder mekaar beledigen, zeggend dat de ander spelletjes speelt en hun eigen op de borst kloppen. Met denigrerende lichaamstaal en taal tonen ze met z’n allen dat ze alleen het grote gelijk willen. Een compromis, de essentie van politiek, dacht ik, zit er niet onmiddellijk in. De twee journalisten proberen enkel met stekelige vragen nog meer olie op het vuur te gieten. Soms vraag ik me af of ik niet beter vroeger zou gaan fietsen i.p.v. naar dit kinderachtig gedoe te kijken.

"In een soort serres werden koppeltjes bediend door obers met mondmasker."

De pulloverprofesssor is gelukkig terug. Donkerblauw, deze keer. De vrouwelijke inquisiteur vond hem er moe uitzien. Ik vind dat hij er net steeds patenter uitziet, als ik dit vergelijk met het begin van de waanzin. Het ging over de kampen en de horeca. Ik bewonder al die scouts, chiro, KSA en andere jonge leiders. Ik ken een paar van hen, patiëntjes en familie. Vorig jaar was er ook al een tsunami van regeltjes volgen. Nu is het nog erger, maar die gasten lijken mega-enthousiast om al die verordeningen te lijf te gaan en die kampen te organiseren, chapeau. Het zijn niet al bangerds die jongelui.

In de horeca zitten of staan ze ook klaar. Er werd een voorbeeld getoond van Nederland. In een soort serres werden koppeltjes bediend door obers met mondmasker. Man, het nieuwe normaal. Ik vrees dat al die maatregelen, hoe goed ook bedoeld, toch wel een beetje op mijn appetijt gaan werken.

Weekend betekent voor mij, (Zoom-)lessen voorbereiden, portfolio van mijn haio’s bekijken en in deze periode evaluaties schrijven. Toch wel weer een nieuwe crash gehad op mijn orgel zeker. Gebeld naar de computercavalerie en ze namen nog op ook. Fantastisch dat die mensen in het weekend paraat blijven. We raakten een beetje aan de babbel. Leuk, zo hoor je nog eens iemand. Ze fietsen daar allemaal en ze hebben fietspakjes. Ik krijg er één toegestuurd. Bovendien kregen ze mijn computer terug aan de praat. 

XXII Zelfzorg (29/5/2020)

Paula, een weduwe, een lustige, vindt mij goed staan met mijn witte schort. Veel complimenten gekregen de laatste weken op mijn corona-outfit. Vooral oudere patiënten vinden mij, eindelijk, een echte dokter nu.

Mireille komt op consultatie. Altijd lastig. Ze loopt voor het minste naar de spoed en haar zoontje droeg voor de coronawaanzin al bijna een maskertje. Ze heeft een beetje pijn aan haar anus, maar dat wijt ze aan het vele fietsen. “Ik ben ook geen enkele keer naar de spoed gelopen in die bijna drie maanden”, zegt ze, “ik heb het begrepen.” Ik vroeg het mij al af op de top van de waanzin waarom we nauwelijks nog patiënten zagen met angst en deprigevoelens. Zaten ze allemaal Alprazolamkes te vreten voor de tv of dachten ze: ze gaan mij niet meer hebben, al die zever rond angst, ik ben ervan af?

Mireille is duidelijk van het tweede groepje. Voortschrijdend inzicht of brief therapy. Als je patiënten de spoed en psychologen en ander -ogen, - euten of peuten ontzegt, is het niet allemaal collateral dammage en rampen. Sommigen maken zichzelf beter. Een perfect staaltje van cognitieve gedragstherapie.

"Als de klinieken twee maanden dicht kunnen, moeten we de mensen misschien iets meer gerust laten?"

Ik had het erover met de pneumoloog, met huisartsenbloed in zijn aderen, aan de telefoon toen we over de beenhouwer hadden die ik toch doorstuurde. Als de klinieken twee maanden dicht kunnen, moeten we de mensen misschien iets meer gerust laten? Hen terug iets meer voor zichzelf laten zorgen in plaats van voor alles direct met onderzoeken en operaties en oplossingen klaar te staan. Het is niet wat ik zie. Voor Veronique werd wegens een uterusverzakking al onmiddellijk een hysterectomie geregeld en als het op dit tempo doorgaat, de doorstart, lopen er binnenkort meer mensen met een kruk rond dan net na de Eerste Wereldoorlog.

Beny is op tv geweest, niet in het weekend deze keer. De scholen gaan terug open. Ze zijn nog aan het nadenken over een paar nieuwe extra regeltjes natuurlijk. Net nadat al die scholen zichzelf in een knoop gedraaid hebben met maskers, plexiglas en linten en bubbels, gaat het weer veranderen. Hij lijkt altijd trots op zichzelf, hij houdt dan ook veel van scholen, Beny, hij is er zelf zeer lang geweest. Nu is hij echt apetrots, hij straalt, geeft licht. Ben eens benieuwd hoe de ouders daarop gaan reageren en zeker de bangere.

Op 11 november 1918, de dag van de Wapenstilstand, zijn er nog veel doden gevallen. Ik vraag mij af of we nu in zo’n situatie zitten. Het lijkt toch allemaal, zeer begrijpelijk, wat te verslappen en de regeltjes zijn steeds verwarrender en onduidelijker. Wat mag nu, wat kan niet? In ieder geval ga ik zondag naar Leuven. Na drie maanden eindelijk mijn oudste dochter en mijn kleinzoon zien. We gaan wandelen met mijn tweede dochter en haar vriendin, een kotmaat en toekomstige huisarts. Een witte bubbel. Of het mag of niet, weet ik niet, maar ik ga het wel doen.

XXIII Sociale offers (1/6/2020)

Net terug van fietsen. Wind op kop in het laatste stuk. Ik ga het nooit leren, krijg het nooit voor elkaar om te weten waar de wind vandaan komt. Trouwens niet alleen op de fiets. De ‘echte’ vertrekken tegen wind, zodat de terugtocht of het fietsen na het keerpunt wind in de rug is. Goed getrapt, schitterend weer. Redelijk veel volk op de baan, in alle soorten bubbels. Hebben de mensen bewegen heruitgevonden of zijn het gefrustreerde dagjestoeristen die niet naar zee durven?

Gisteren naar Leuven geweest. Lange wandeling gedaan. Hij herkende mij, mijn nazaat. Hij wou bij mij en op mijn schouders. Zalig, na drie maanden. Afsluiten met een terrasje ware heerlijk geweest, maar dat kan nog niet. Daar gaan ze na het weekend over debatteren. In ieder geval café en tooghangen is uitgesloten. Dan heb je in essentie geen café uiteraard. Een terrasje misschien wel, maar misschien eerst een questionnaire invullen over je gezondheid, koorts laten meten, handen met gel en dan iets fris. Ik ben curieus of coronabier nog op het menu of de kaart zal staan, als we dit al mogen hebben natuurlijk, want de veiligheid, weet je wel, en al die microben op dat papier.

Als je in het nieuwe normaal op café of restaurant een oude kennis ziet, wordt het wellicht heel lastig zoals het nu voorligt. Zwaaien maar niet te heftig wellicht. Misschien eerst een korte ondervraging en dan met mondmasker een korte babbel. Uitnodigen aan tafel zal er niet bij zijn. Trouwens als je vier kinderen hebt, ben je gejost, want er is sprake van tafels met maximum vier. In ploegen eten wellicht.

"Als offer voor de veiligheid, die reuze onduidelijk is, worden onze sociale banden na drie maanden nog verder op de proef gesteld."

Het vreselijke woord ‘social distancing’, wat eigenlijk ‘physical distance’ is, is het dus wel geworden. Als offer voor de veiligheid, die reuze onduidelijk is, worden onze sociale banden na drie maanden nog verder op de proef gesteld. In Oostenrijk zijn veel restaurants en cafés alweer dicht omdat het zo’n gedoe is en de mensen niet (meer) afkomen.

Beny heb ik ook weer gezien, stralend, uiteraard. Hij werd om een antwoord gevraagd omtrent de kritiek van hogeschoolstudenten die zich niet gehoord voelen. “We gaan niet meer communiceren met toeters en bellen”, zegt hij. Dat is Beny’s denk ik om te zeggen dat hij niets gaat zeggen. Weg met het regelfetisjisme, welkom aan de stilte. Mocht dat waar kunnen zijn. Zeggen dat je niets gaat zeggen in deze harde tijden voor die studenten. Met de grijnslach. Man, man toch.

Er komt ook een initiatief voor de economie. Niet van Beny maar van de andere wijzen uit het Noorden. Ik heb het niet allemaal verstaan, maar kort komt het hierop neer: voor een paar wazige fiscale voordelen kunnen wij onze spaarcenten aan de staat geven. Ze gaan het uiteraard geen coronataks noemen, maar dat zal het wel zijn.

Ik kijk niet meer naar alle coronashows. Eén ben ik het een beetje beu, altijd datzelfde en bovendien, twee dus, gaat het altijd weer over wat er anders had ‘moeten’ gedaan worden. “We hadden die skiërs uit Noord-Italië in quarantaine moeten steken.” Achteraf weten we alles natuurlijk. Als we nu eens kijken naar wat goed werkte en waar andere maatregelen dan de onze beter werkten, dan kunnen we misschien verstandig om met de tweede golf of de volgende pandemie, niet?

In de VS zit het er intussen goed tegen. Na de coronawaanzin hebben ze daar nu een megaprobleem, met de zoveelste Afro Amerikaanse dode na een politie-interventie. Plunderen kun je niet goedkeuren, nooit. Dat de frustratie van de zwarte bevolking, na al de coronadoden die hen het meest trof, het nu echt beu is, begrijp ik wel. Ik zag een zwarte student, in Atlanta, uit een auto gesleurd worden na een elektrische schok. Ik hoop echt dat de oranje baas geen kinine genomen heeft zodat hij deze afschuwelijke werkelijkheid kan waarnemen en er eens iets, treffelijks, aan doet.

XXIV Pandemie van de angst (13/06/2020)

Geen fietsen of zevende dag in het vorige weekend, wel examens gehad, niet zelf maar afgenomen. Zaterdag online met chatfunctie. Ongelooflijk dat mensen dit in mekaar kunnen boksen. Ik mis de lichaamstaal van de studenten, maar ze zijn toch netjes geëxamineerd. Zondag studenten life, op de heilige anderhalve meter, met mondmasker. Ze mochten ze niet afzetten, ondanks neiging naar hyperventilatie en stikgevoel. De veiligheid, weet je wel. 

We zitten erin, vrees ik, in de pandemie van de angst. Het begon, veel manen geleden, met reizen. Niemand sprak nog over die fantastische uitstap in Rwanda of Oeganda naar de berggorilla’s, maar over de pillen tegen malaria en de vaccins. Bij een nieuw lief werd gewaarschuwd voor soa’s, niet gevraagd of het minnespel leuk en vernieuwend was. Bij een kindje met koorts, bij minder dan 1% kans op een ernstigere infectie, was het nodig om onmiddellijk antibiotica voor te schrijven of drastisch met gevaarlijke middelen, gevaarlijker dan de temperatuurstijging zelf, de verhoging tekeer te gaan. Dit was, voor diegenen die het zich herinneren, nog voor de coronawaanzin.

Nu is het nieuwe ‘respect’ niet meer een handdruk of een knuffel of een glimlach maar een mondmasker. De media wakkeren dit ‘deskundig’ aan, met nieuwe bangmakerij; de tweede golf, de collateral dammage, alles netjes gefocust op enkel biologische parameters. Ook de WHO doet haar duit in het zakje. “We zijn nog nergens, de pandemie is dan misschien in België aan het afkoelen, maar zeker niet in de wereld hoor.”

Lutje, 88 jaar, is voor het eerst terug op consultatie gekomen, met haar man, André. Beetje bangelijk nog. Ze wast het kleingeld thuis en droogt het dan in de microgolfoven. Voor de veiligheid en de zekerheid. Het helpt nog eens ook, geen Covid in hun huis. 
Wie, buiten de media, wordt daar nu beter van, van al die bangmakerij? Waarom worden al die meningen, die maar meningen zijn, gratuit regeltjes met de kracht van een wet vanuit de gedachte dat je iets verhindert? Gaat er nu echt één corona dode minder zijn omdat men een thermometer in je poep duwt op de luchthaven?

"Per consultatieblokje toch wel weer terug een angstige patiënt, die erdoor zit en slecht slaapt en spanning in de relatie."

Ik ben ook een hapje gaan eten, op een terrasje deze week. Veel volk, weinig poespas, alleen de serveerster met mondmasker, een beetje spijtig dat ze haar mooie glimlach en dito kuiltjes in de wang niet kon tonen. In Indië plakt men een foto op de maskers, dat kan ook.

De beenhouwer heb ik ook teruggezien. Hij is nog niet aan de américain toe, maar hoest minder en heeft wat meer adem. Etienne, die weduwnaar werd tijdens de waanzin, is voor de tweede maal deze maand blijven haperen aan een beschonken tafeltje, vrees ik. Zijn met coumarines en corticoïden geïmpregneerde huid ging gewillig aan flarden. Sutuur werk. Ik blijf dat leuk vinden.

Per consultatieblokje toch wel weer terug een angstige patiënt, die erdoor zit en slecht slaapt en spanning in de relatie. Smerig beestje voor de liefde, dat virusje.

De professor met het kuiltje gaat in reces. Even geen tv meer. Ze blijven wel trouw de overlijdens brengen. De tweede golf lijkt er ook wel één van geweld te zijn. 
Als je wilt tonen dat je tegen racisme bent, lijkt het wel of je iets moet vernielen. De teneur in de media vind ik ook nogal welwillend naar die beeldenstormers toe. Geweld kan toch nooit legitiem zijn, ook al is het tegen de handenhakker. Neen, ook Churchill moet eraan geloven, ook dit dagboek dus wellicht, want ik vermeldde hem nog positief een paar weken geleden. In de stroom daarvan Fawlty Towers bannen, mijn ultieme humor, lijkt als maatregel Covid-like. Disproportioneel. Ook ik blijf geloven dat er een verband is tussen de coronawaanzin en de waanzin van het geweld dat er nu is.

Op zondag is het ook vaderkensdag, papakkesdag zegt mijn jongste. Ik ga fietsen met mijn dochters en dan een visje, nog een specialiteit van mijn mama zaliger waar mijn dochters gek op zijn. Gepocheerde kabeljauw, patatjes en witloof en witte boontjes met botersaus toe. Amora-mosterd ernaast. 

Ik denk dat we voorzichtig naar de epiloog van deze waanzin gaan en waarschijnlijk ook van dit dagboek. Ik zal het missen, jullie ook hoop ik, maar heb daar weinig zicht op.

XXV Nog geen epiloog (13/7/2020)

We zitten in de staart van de epidemie wordt gezegd. Dat is dan heel dicht bij de stront, denk ik. Nadat het de laatste weken zeer rustig was in hoest, hoofdpijn en koortsland, waren er vanochtend terug telefoontjes met coronasymptomen. Net nu iedereen mondkapjes aanheeft, willen of niet, en net nadat Beny aan het kajakken geslagen is.

Twee patiënten hadden keelpijn en een beetje koorts, één daarvan met wellicht geur- en smaakverlies. Terug doorgestuurd naar het triage- en testcentrum. Hoe ging dat weer? Toch even mijn lieve collega gebeld om te weten wat de laatste consignes zijn. Weet ze altijd beter dan ik. Een mens verleert snel, zeker als het snel verandert. Nu snel, het was al zeker drie weken geleden. Eén patiënt was wat star en drong aan op een afspraak. Het leek al een coronavrije wereld in zijn beleving. Hij maakte zich net niet boos dat het niet sneller ging. De lontjes blijven kort. De andere verstond het, wel pech want hij wou net op verlof vertrekken.

De drie andere waren dames die in een crèche contact hadden gehad met een positief geteste collega. Daar zal het kot wellicht te klein zijn. Want als er één motor op de pandemie van de angst of die van de irritatie zit, zijn het wel de crèches. Mijn dochter is de kleine al vijf keer gaan halen, wegens verhoging zoals dat nu heet, de laatste drie weken. Ik ben trots dat ik elke voorzichtige of onvoorzichtige aanzet tot testen heb kunnen afweren. 

Is dit nu de tweede golf of de eerste die wat uitloopt? Het zijn alle vijf jonge mensen, al kan het zijn dat mijn definitie daarvan in de jaren wat is opgeschoven. Ik hoop dat we niet terug in lockdown gaan, want als ik zie wat ik allemaal over de vloer krijg van mensen die op hun einde zijn na de eerste, houd ik mijn hartje en maskertje vast wat dat nu wordt met het zomerreces op komst.

Vorig weekend heb ik zelf een reisje gehad met mijn tweede dochter en haar vriendje, een ferme fietstocht naar en langs de zee en terug. In drie dagen 250 km met de mountainbike en bijna 14 uur op de fiets voor een groot deel, vooral op de terugweg, tegen westenwind. Niet genoeg om te herbronnen, net lang genoeg om te beseffen dat ik meer van dat nodig heb. Over de lange weg nauwelijks een kat gezien, wel rivieren, kanalen en bijpassende flora en fauna. Geen enkele lekke band gehad, alleen zadelpijn.

"Het nieuwe respect is geen knuffel of lief gebaar, het is gezichtsbescherming geworden."

Een langere vakantie komt er wellicht aan, volgende maand. Een weekje weg met de dochters en nazaat en de beschikbare lieven. Fingers crossed dat we niet in ‘coronavuur’ terechtkomen. Zo ver mogelijk weg van steden en gemeenten. Zo groen, natuur- en coronagewijs als mogelijk. Het blijft toch onze levens beheersen, de Covid-poespas. 

Ik ben vrijdag nog vlug binnengesprongen bij mijn favoriete kruidenier, want vanaf 11 juli mondkapjes verplicht. De biopolitiek is toch zo ver doorgeslagen dat we het aan onze rekker hebben. Het enige, maar dan ook het enige voordeel is dat er nu voor één keer uniformiteit van regel is. Het nieuwe respect is geen knuffel of lief gebaar, het is gezichtsbescherming geworden. Hoe goed ook bedoeld, onze vrijheid of toch de mijne voelt serieus beperkt aan.

Meer nog, het niet dragen of zelfs het overwegen is insubordinatie geworden. Dat en het sfeertje van ‘hij moet het maar weten, want hij droeg geen maskertje’ vind ik op zijn minst irritant. Bolsonaro vind ik een triestige president en nog eens zwakker als mens. Dat is, nog maar eens, mijn mening en misschien zelfs de waarheid niet. Grote krantenkoppen met ‘kijk eens, hij moet het maar weten’ vind ik niet kunnen. Elke ziekte is onrechtvaardig. Dat meritocratische gedoe blijf ik verwerpelijk vinden. Ook dat is maar mijn idee.

Ondertussen zie ik de mensen die angstig zijn, een verstikkend of beangstigend gevoel hebben, door het maskertje, de waanzin of beide, toenemen. ‘Wanneer gaat dat eindelijk gedaan zijn, dokteur?’ Wist ik het maar, zo net of de maskertjes van de pillendraaiers beter zijn dan die van de Duitse winkelketen of de gestikte van Nicole, wist ik het maar.

Ik dacht om voorzichtig naar de epiloog te kunnen gaan van dit dagboek. Eens opsommen wat er van wie geworden is in deze maanden van waanzin. ‘We zijn echter nog niet aan de kleine patatjes’, zoals Ben Crabbé steevast zegt. Of we nu met zijn allen ook nog handschoenen aan moeten of kousen, who knows, ook in regio’s waar maar twee positieve gevallen geweest zijn. Of gaan we gerichter tracen? Dat zal daar, in de nabeschouwingen, wellicht ook aan bod komen. 

Epiloog, afronding, daar snak ik naar. Vandaag waren er weinig hoopvolle signalen alvast.

XXVI Keep it simple (29/8/2020)

Als patiënten bij mij op consultatie komen, dan laat ik ze, na navraag van symptomen, de keuze om hun masker te dragen of af te zetten. Bijna iedereen is dankbaar en doet het af. Ik heb dat geleerd van Luc Isebaert, psychiater en grondlegger van systeemdenken en cognitieve gedragstherapie te lande. Een wereldautoriteit voor oplossingsgerichte therapie. Ik had het voorrecht dertig jaar in een Balintsetting bijeenkomsten te hebben met hem. Sinds zijn overlijden, vorig jaar, mis ik hem. Ik mis vooral zijn milde manier om mensen hun keuzes te laten maken na info over de mogelijkheden, de opties en hen daarbij te coachen, aan te moedigen, met begrip voor herval en zonde. Dat hebben wij niet meer als burger, het is al van ‘moetes’, hoe onzinnig of zonder de minste onderbouw ook. De volgende maatregel is wellicht een verplicht condoom bij het slapen voor alleenstaande mannelijke vrijgezellen, las ik ergens. 

Ondanks de gruwelberichten in de media, waar elke nieuw positief geteste mens, kind, sporter, afgeschilderd wordt als een palliatieve patiënt, heb ik, hebben wij als praktijk, op één rusthuis na geen enkel positieve, laat staan zieke patiënt gehad sinds april. We kregen gisteren van een lokaal ziekenhuis een mail met ongeveer dezelfde boodschap, dit als voorbode van het goede nieuws dat er terug meer bezoek mag gaan. Daarmee ontken ik uiteraard het aantal positief getesten niet, maar wat had men gedacht na de lockdown? Is het dan misschien zelfs geen slechte zaak als zoveel jongeren het doen, als ze maar ver van zwakkere mensen worden gehouden, als die dat tenminste willen. 

Wat wil het beleid nu, dat is mij niet duidelijk. Kan uiteraard ook aan mij liggen, maar ik snap het niet (meer). Als de helft van de mensen niets voelen bij corona en van de andere vier op vijf milde symptomen hebben, dan krijgen we toch veel opbouw van immuniteit of ben ik nu te veel tegen? 

Rode zones, gele zones,… het komt een beetje mijn strot uit. Als het dan ook nog eens uitzonderlijk niet over corona gaat, dan heb je dezelfde gekleurde zones voor de hitte of drie dagen erop voor het onweer of het verkeer. De dood gluurt onophoudelijk achter de hoek, wil men ons doen geloven. Waarom houdt men ons zo bang, wie wordt daar beter van? Gaan de renners als ze in peloton voorbijflitsen in een rode zone, massaal COVID krijgen? Het voordeel van de doorstart van het sporten is wel dat er terug wielrennen en voetbal op tv is, eindelijk. Een ander voordeel is dat het begrip ‘vals positief’ bekend is, door de coureurs, God gebeterd. Ik had het liever van één of andere virusprofessor gehoord, maar goed. Hoe meer gezonde mensen je test, zelfs met een vrij goede specifieke test, hoe meer vals-positieven. Dat is besliskunde. Die tracen heeft weinig zin, alleen weet je niet wie de terecht positief geteste is natuurlijk.
 

"Ik zie enorm tegen de volgende weken en winter op. Niet voor het werk, maar voor het oneindig verstrekken van attesten en formulieren."

Eindelijk is er een voorzichtige beweging om de ‘gedachteloosheid’ zoals Hannah Arendt die formuleerde, tegen te gaan. De Duits-Amerikaans-Joodse filosofe volgde het proces Eichmann, de beul van Auschwitz en haar besluit was dat hij eigenlijk een sukkel was die zich verschool achter te volgen regeltjes. De banaliteit van het kwaad noemde ze het met als ondergrond, wortel ‘gedachteloosheid’. Ze werd er zwaar voor aangepakt, zeker door geloofsgenoten. Nu wordt ze regelmatig aangehaald in het kader van reflectie met en rond de COVID-waanzin. 

Een groep met als een soort vertegenwoordiger de zachte professor met het staartje, pleit voor een omgekeerde lockdown. Proberen met het virus te leven. Een poging van de journaliste tot moddergevecht met de Beegee professor in Ter Zake mislukte omdat die minzame man niemand aanviel, ook zijn collega niet. Hij wilde alleen duiden, de bedoeling toch van Ter Zake, niet? Resultaat, de beide opponenten waren het ongeveer over alles eens. Nu nog een politieker die het aandurft om de gedachteloosheid opzij te zetten en wij kunnen misschien met iets meer vrijheid en mildheid de winter in.

Ik zie enorm tegen de volgende weken en winter op. Niet voor het werk, maar voor het oneindig verstrekken van attesten en formulieren, voor kindjes met koorts in een crèche, scholieren met een snottebel en reizigers die uit een oranje zone komen en verplicht worden tot een test. Je krijgt volgens mij geen burn-out van te veel te werken, maar van te veel dingen tegen je goesting te doen. De Kafkaiaanse waanzin waarin we terechtgekomen zijn, is daar een mooi staaltje van. Ik hoorde van een labo waar ze 500 testen op een dag doen, met gemiddeld één positieve.

Er is nu al een school waar een aantal kinderen niet mag beginnen, omdat ze in contact waren met een positief geteste. Dit wordt toch een zottekespel als je elke klas of school of leerling in quarantaine plaatst wegens contact, niet? 

Vorige zaterdag een aanvaring gehad in de Colruyt. Ik had mijn grijze plastic handvaten van mijn ingaande kar vergeten aan mijn uitgaande te doen. Toen ik bij dit besef, toen al aan de auto, terugholde, werd ik zwaar aangevallen, verbaal, door een jonge dame die mij een onverantwoorde burger vond. Mijn mond viel achter mijn maskertje open. Dit is een ander aspect van de waanzin. Het is een soort wedstrijd geworden tussen verschillende gemeenten om het minste cijfertjes te hebben. Bengel je onderaan, dan is dit omdat je niet flink geweest bent. Te weinig burgerzin. Te weinig maskertjes, te weinig handvaten, te weinig handschoenen enz. enz. Een ober met maskertje, net onder zijn mond die met de blote handen jouw frietjes wat opzijschuift, is daar een gevolg van, vrees ik. Als je vanuit angst een triljoen regeltjes maakt, dan kan je die nooit altijd volgen.

‘Keep it small, keep it simple’, denk ik. Handen wassen, afstand houden waar nodig en zo echt nodig een masker. Als ik nu drie gemeenten verder fiets, zijn er drie verschillende mondkapregeltjes. Zo wordt de langzaam opgebouwde rust in mijn hoofd, na een weekje Provence met mijn dochters en voetbal met klein- en schoonzoon, snel gesloopt. 

XXVII Frankly Franky (19/09/2020)

Het is mij al een paar keer overkomen, in mijn dagboek, dat waar ik me zorgen over maak, een paar dodo’s later werkelijkheid wordt. Zo ook nu. Deze week regende het terug telefoontjes, net als in het begin van de waanzin. Peuters die massaal uit de crèche worden geweerd, zelfs met alleen een snottebel. Idem dito voor kleuters en kinderen van de studiejaren. Van hetzelfde voor leerkrachten. Zelfs zonder koorts of Covid-symptomen. Twee van de zogenaamde mineure symptomen hebben is vaak al een alarmbel. Voor de duidelijkheid: daar zitten ook vermoeidheid, spier- en hoofdpijn bij. Ik kan mij niet meer herinneren wanneer ik die zelf niet had.

Op het journaal stijgen de ziekenhuisopnames maar blijven de sterfgevallen zeer laag, gelukkig, drie tot vier. Binnenkort krijgen we nog net na het middagjournaal en net voor de onrustwekkende verdwijningen een kort overzicht van het aantal blindedarmoperaties en acute buikchirurgie te lande. Een opsomming van het aantal artroscopieën wellicht niet, want anders komt dat in conflict met het begin van het avondjournaal.

Ik vind dat shared decision, en vanuit dit principe vertrekkend, het navragen van de ICE’s van de patiënt ook in COVID-tijden blijven gelden. Als een mama van een kleuter of peuter of iemand die in de crèche werkt, zegt: ‘het is een valling (I) en ik maak mij geen zorgen (C) en ik wil niet zo’n wisser (terug) in mijn neus (E)’, dan moet ik daarmee rekening houden. Ik ben ook geen arts geworden om een peuter of nog minder een demente dame met vier vast te houden om een wisser door hun voorgevel te rammen. Ik probeer daarin een common ground te vinden op basis van hun ICE, de wankele bleke bewijzen die we hebben en mijn ervaring of buikgevoel.

Net deze week is de waanzin richting psychose gegaan, met eisende telefoontjes om testen door hysterische mama’s of papa’s opgefokt door nog hysterischere schooldirecteurs of werkgevers. Het volstaat soms al om te zeggen dat jouw kind moe is en je krijgt al een schoolverbod en testbevel. Of ze doen de scholen terug dicht, wat ik even dwaas of nog dwazer zou vinden dan in maart. Beny vindt dat trouwens ook, ook dat nog. Of ze versoepelen de regels. Als elke kleuter die voorbijkwam aan een klas waar een positief geteste lerares zat, getest moet worden, dan wordt het nog zotter. Ik hoor en lees dat vele huisartsen ook zo denken. 

"In deze waanzin proberen een common ground te vinden, waar ik voor sta, is dus nog lastiger geworden."

In deze waanzin proberen een common ground te vinden, waar ik voor sta, is dus nog lastiger geworden. Natuurlijk wil ik geen mensen die vermijdbaar sterven of overvulling van onze ziekenhuizen. Ik heb echter wel begrip voor een mama van drie kinderen: Marie die mij belt en van wie ik weet dat ze al getest is geworden ‘zum befehl’ van haar baas na terugkeer uit een oranje zone en nu door de tracing aangemaand wordt om terug te testen. Haar symptoomloze schoonvader werd positief getest voor één of andere, wat we in april niet-essentiële ingreep noemden. Dus quarantaine voor de man, misschien zelfs op basis van een vals-positieve, who knows. Dus al zijn kinderen, klein- en schoonkinderen obligaat een week in hun kot, na voor allen een negatieve test. De mama wil terug aan het werk en vraagt of het mag. Frankly, ik weet het ook niet meer. Ik begrijp haar bezorgdheid en meer nog bewonder ik haar werklust. Ik zeg dat het oké is en hoop dat ik nu toch nog een goede huisarts ben. Een goede huisarts is specialist van de context en de multimorbiditeit en kan een beetje buiten de lijntjes kleuren, denk ik dan.

Estelle is 14 jaar en met symptomen, koorts en snot, getest geweest. Ze is één dag ziek geweest en de mama belt mij of ze terug naar school mag na een week. ‘Het wordt lastig’, zegt ze, ‘terug hier met z’n allen, mijn dochter doet het ook al zo geweldig niet op school.’ Ik vind dat terug een goed punt van de mama. Wat wie ook beweert over de maatregelen, halve en hele, het blijven vaak meningen, expert-opinions met flauwe kracht van enige vorm van zekerheid of level van evidence. Wat ik wel weet, is dat de kinderen die school ‘liepen’ onder de lerarenstakingen van jaren geleden (Wallonië, Argentinië en Canada), dat hun hele leven meesleepten en die mochten wel nog samen spelen en dicht komen. Ook weer een beperkte studie, natuurlijk, maar het is zoals zoveel tegenwoordig: we hebben maar dat. Dat een beetje meer toegeven zou ook een wijze maatregel zijn, denk ik.

De pulloverprofessor, te vaak in hemdsmouwen dezer dagen en dat is volgens mijn niet goed voor zijn zen-gehalte, geeft niet af. Hij is ervan overtuigd dat de maatregelen of scherper moeten of beter nageleefd worden. Een collega-viroloog aan de andere kant van de taalgrens, in een vurige stad, vindt dat niet. We weten niet wie gelijk heeft, zoals tot in ten treure toe tijdens deze waanzin in dit dagboek geschreven, maar het is misschien hoog tijd dat ze in plaats van in één of andere coronashow of tijdschrift of dagblad erover kibbelen of randje ruzie maken over wie het grote gelijk heeft, ze ook proberen een soort van common ground te vinden. Tezelfdertijd met en zonder masker rondhollen of fietsen is lastig. In deze emotionele spreidstand leven we met z’n allen. Welles nietes en het niet wetens.

Al heel de Tour lang mekkeren would-be-virologen over te weinig afstand, te veel van dit en te veel van dat. Nu alle renners en stafleden negatief getest blijken te zijn, is het weer niet goed. Het kan fraude zijn, wordt er zelfs gesuggereerd. Maar mooi toch dat de Tour kon doorgaan, niet?
Of hoogstudenten nu in code geel, groen, oranje of paars les moeten volgen, na die les zullen ze voor het gebouw zeker nog wat nakaarten over de les of het voetbal. Ik ben niet tegen de staat, niet tegen de experts, virologische en andere, maar alleen maar focussen op de cijfertjes met ontkenning van psychosociale en spirituele dimensies geeft misschien minder positieve testen of zieken, maar zeker ook minder geluk en welbevinden zoals het spel nu gespeeld wordt met ruzie, tegenspraak en dreigen. Dit is andermaal mijn gedacht en sluit geen respect voor het leven of andersdenkenden uit.

Ik mag terug opleiding geven, coronaproof uiteraard, wat dat ook betekent, want iedereen heeft daar zijn invulling van. Zo moest ik vorige week tijdens de wacht in een woonzorgcentrum mijn schoenen ontsmetten. Prijs voor de origineelste en domste maatregel ooit. Voor de zekerheid en de veiligheid weet je wel. Ik heb zo’n paar patiënten, gelukkig niet te veel, die naast de pil met hun enige partner ook nog een condoom gebruiken bij seks. Voor de zekerheid. Ik vind dat ze daar in de commissies een beetje beter mogen op letten, dat we niet in dat soort van obsessionele zekerheid landen.

Tijdens een coachsessie, met zes fijne collega’s, werd ik door één van hen bedankt voor mijn dagboek en de strik rond dit geschenk was dat ze zei er veel steun aan te hebben gehad in moeilijke maanden. Het is nog altijd verboden maar ik wou ze kussen. Ze houdt het te goed, zei ze. Af en toe naast het tweewekelijkse fietsen is er nog iets wat mij energie geeft. Een lieve positieve bekrachting. Nog eens bedankt.

XXVIII Leven in het wetenschappelijke duister (13/10/2020)

Heel lastige week gehad vorige week: veel telefoontjes, veeleisend naar testen en één live, zeer ontevreden patiënt, waarvan ik dacht: nu krijg ik een mep. Hij wou niets vertellen over de context waarin hij een attestje van slagen en verwonding nodig had. Toen ik zei dat dit zijn goed recht was net zoals het mijne om dan het attest niet te schrijven, ontplofte hij. Dan heb je eens iets anders dan COVID en dan krijg je dit.

Mijn lieve collega is tijdens de vrijdagwacht om 05.30 uur gebeld om te gaan testen, acuut, in een lokaal WZC. Ook dat nog. Zware week, veel druk. Zaterdagmorgen, voor mij vroeg, tweemaal gebeld geweest op mijn gsm – de mensen die dat nummer hebben, kunnen in een kleine camionette – met wat dacht je: acute COVID-testvragen. 

Ook wel goed nieuws vorige vrijdag: ik heb voor het eerst mijn groep nieuwe haio’s gezien op intakegesprek. Ze willen allemaal live aan de slag. Hopelijk nemen ze ons dat niet af. Uit de gevraagde reflecties op mijn dagboek, vanuit gewenst gedrag of omdat ze nog niet weten dat achter mijn scherpe pen en donkere bril eigenlijk een doetje huist met een minuscuul peperkoekenhartje, alleen maar begrip en bekrachtiging. Twee haio’s, mannelijke, kunnen niet begrijpen dat een verstandig iemand supporter is van RSC Anderlecht, maar voor de rest geen tegenwind of weerstand. Goed begonnen is ook hier half gewonnen. Leuke bende, enthousiast en coronabeu, dat schept ook een band.

Tijdens het weekend andermaal ferm gaan fietsen met mijn tweede dochter en vriendje, ook medisch geschoold, op, naast en af het parcours Gent-Wevelgem. Gevolgd door hamrolletjes met prei en puree en gezellig getater en veel gelach aan de keukentafel. Leuk. 
Ondanks de nederlaag van de Rode Duivels op zondag, ben ik maandag messcherp en gemotiveerd begonnen aan de nieuwe werkweek, nummer 32 of zo in coronatijden. Meer dan op tijd plaats genomen achter mijn ‘orgel’, medisch programma open, babbeltje met onze nieuwe haio, een plezier in huis voor sfeer en gezelligheid en werklust en wetenschap. Het is niet allemaal kommer en kwel, maar toch veel.

Om acht uur staat er al iemand aan de deur, zonder afspraak. “Hij wist het niet, dat het allemaal op afspraak was en het was maar voor een griepje.” Als ik ooit een boek schrijf over excuses van patiënten, komt deze er zelfs niet in, wegens gebrek aan originaliteit. Hij wist het niet. Een 34-jarige ingenieur weet niet dat je best even belt naar je praktijk als je luchtwegsymptomen hebt, na zeven maanden waanzin. Bovendien staat het nog eens in paarswitte koeien van letters aan de deur in het Frans en in het Nederlands.

Als de coronasheriff van West-Vlaanderen dus dreigt met boetes voor het breken van de consignes omdat het tijd is en dat ze het ondertussen wel allemaal weten: neen dus. Ze weten het niet allemaal. Mensen en niet alleen migranten in Brussel of in Limburg, ook hoogopgeleide mensen met een goedbetaalde job weten het nog niet. De broer van de ingenieur is bovendien nog eens apotheker en weet niet dat je eerst even je huisarts contacteert. Hoe dat komt, weet ik ook niet, ik stel het alleen maar vast.

"Als ik ooit een boek schrijf over excuses van patiënten, komt deze er zelfs niet in, wegens gebrek aan originaliteit"

De eerste twee telefoontjes tussen het bloed trekken door – bij Marcella, opvolging diabetes, die wat pissig is omdat haar jaarlijkse tomatenoogst knudde is – gaan, uiteraard, over testen. De vrouw van de beenhouwer werkt ondertussen in een restaurant en dat moet sluiten wegens een positief geteste ober. Haar baas eist een test. Ze heeft COVID gehad rond Pasen en heeft een berg antistoffen. De volgende telefoon is van hetzelfde, nu een leraar die het beestje opliep ergens in mei met positieve titers. “Ja, maar, er zijn er nog die het al twee keer gehad hebben, ’t is voor de zekerheid.” 

Het is maandagmorgen 8.30 uur en schrijver dezer loopt al nerveus, gepikeerd rond. Ik hoop dat Bob Geldof zijn oude hit ‘I don’t like Mondays’ actualiseert.

Dan maar even rondbellen met een paar collega’s uit het ziekenhuis die openstaan voor iets meer dan hun waarheid. Er zijn geen objectieve data om aan te nemen dat iemand het tot nu toe tweemaal gehad heeft. En ja, er zijn meer opnames, ook op intensieve… Toch lijken patiënten over het algemeen minder ziek dan in het begin van de waanzin. Dat zien wij hier in de praktijk ook: veel jonge zieke mensen, vaak met een positieve test, die niet zo ziek lijken als een groep in het begin van de pandemie. Is er dan toch iets veranderd aan dat beestje of is het door de mondkapjes? Mag ik mij dit nog afvragen? Mag ik het hele gedoe nog in vraag stellen?

Ik ben wat bezorgd over de richting waar het naartoe gaat. Het heeft allemaal te maken met ‘niet flink’ zijn: de studenten, de migranten, enzovoort. ‘Brussel doet het niet goed’, alsof het een wedstrijd is. En als die weer flink zijn, komt het wel goed en anders sluiten ze ons allemaal op in ons kot. Er is maar één zaligmakend ding en dat is testen. Van een test word je niet beter en het blijft maar een momentopname, toch? Daarom was ik andermaal tevreden met het visuele diagram van prof. Marc Noppe die in laagjes de COVID-strategie uitlegde met testen op het laatste laagje, na afstand en handen wassen…. Te veel mensen zeggen nog aan de telefoon ‘joepie’ als ze een negatieve test hebben, alsof ze dan gewonnen hebben en weer naar oma en opa mogen. 

Ik volgde ooit een cursus over Levinas, een Frans-Joodse denker, die nu in grote form zou zijn. Ik heb daar geleerd dat de ander altijd appel op je doet. In de weg naar het goede doen, het Ethisch goede zelfs, houd je rekening met de regeltjes, met de heersende moraal, maar je zorgt ook best goed voor jezelf. Dat is essentieel. We leven in het wetenschappelijke duister en elke keer als we denken dat het licht weer aangaat, springt er terug een zekering. Daarin proberen we met z’n allen het goede te doen en niemand weet wat het is, ook al denkt de ene luider dan de andere dat hij het wel weet.

We hebben in mijn seminariegroep en ook in mijn coördinatorengroep die ik mag begeleiden, als kerntaak voor dit academiejaar dat we goed voor elkaar gaan zorgen, veel gaan lachen en dit overgieten met de best mogelijke wetenschap. Het lijkt een vervroegde nieuwjaarswens. Hopelijk kunnen we het tegen dan herhalen met een knuffel.

XXIV Preventieve intensive care (24/10/2020)

Van wacht, ook dat nog, na een nieuwe helse week van telefoons en consultatieblokken. Gelukkig zorgen we goed voor elkaar in onze praktijk en splitsen we die op. Ik doe de eerste shift, niet dat ik een ochtendmens ben, maar ‘s nachts van wacht zijn vind ik nog zwaarder. Via de wachtdienst 1733 krijg ik de patiënten doorgebeld door een vriendelijke telefoniste, die netjes naam, telefoon, huisarts en probleem van de aanvraag doorgeeft.

De eerste is al van dat, een positief geteste Covid-patiënt. Ze is woensdag positief getest en sinds gisteren niet goed, borstpijn, hoesten. Ze wil onderzocht worden, maar dat wil haar huisartsenteam niet. Ze wordt geadviseerd om naar de kliniek te gaan. Dat wil zij dan niet. Ze probeert dan maar de huisartsenwacht. Ze wordt onmiddellijk ongeduldig als ik wat vragen stel om haar bezorgdheden en klinische toestand te peilen. Ik geef haar een afspraak op de praktijk, hier is geen wachtpost en hijs mij in astronautenoutfit en zet het raam open. Mijn kabinet grenst aan mijn tuin.

Ik ken haar van bij chronische patiënten waar ze helpt in het huishouden: Martine is een zestigjarige vrouw zonder andere echte risico’s. Ze is wat ik ‘een inspecteur’ noem en haar hobby is bovendien curieuzeneuzen. Ik onderzoek haar en meet de saturatie en de koorts. Allemaal zeer geruststellend. Dat probeer ik haar dan ook uit te leggen: ze is niet stervende en kan uitzieken en de meeste mensen belanden niet in de kliniek of op intensieve. Dat verbaast haar, maar ze huppelt, met een bedankje, tevreden weg.

Gisteren vertelde Jean-Claude, forse diabetespatient, zalige man, met een traantje dat zijn mama gestorven was: 94 jaar en corona, ze hadden haar naar de kliniek gedaan en daar was ze 17 uur later op de intensieve gestorven. Neen, ze hadden haar en de familie niets gevraagd. Ik hoor dat het op de spoeddiensten ook van dat is, dag en nacht een toestroom van vooral oude mensjes met of zonder koorts, vaak met heel veel andere co- pathologie.

Ik ben geen negationist en zie de cijfers ook wel, hoewel ik blijf proberen de coronashows wat te mijden. Dat is net als mailen in het weekend niet goed voor mijn geestelijke gezondheid. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat er nu veel meer mensen naar de kliniek verwezen worden dan in de maanden maart, april en mei, waar wij in eigen beheer de (ernstig) zieken probeerden thuis te houden. Misschien verklaart dit voor een stuk wel de overflow? Bovendien lees ik dat een aantal prominenten uit, ik citeer, ‘voorzorg’, op de intensieve worden gelegd. “Neen, ze zijn niet echt ziek, maar op de intensieve kan je beter monitoren.” Een soort preventieve intensive care, vreemd.

Wij huisartsen zijn wellicht allemaal zo stilletjesaan overbevraagd en overwerkt. Moe en het moe. Toch vind ik dat wij best een stuk voor onze (zieke) patiënten blijven zorgen met de middelen die we hebben. Iedereen mag daar uiteraard voor zichzelf over beslissen. Martine werd uit de kliniek gehouden en gerustgesteld na een korte consultatie. De mama van Jean-Claude had daar eigenlijk voor haar laatste 17 uur nooit mogen raken, tenzij het haar of haar families expliciete wens was.

Hegel, de Duitse filosoof, vond dat het enige wat we van de geschiedenis kunnen leren, is dat we niets van de geschiedenis kunnen leren. Maar hij vond ook dat ‘de uil van Minerva zijn vlucht begint bij valavond': het denken neemt een aanvang nadat de feiten zich hebben voorgedaan, het loopt er niet op vooruit.

“Laat mensen zelf beslissen of ze willen getest worden in het rusthuis, laat ze zelf beslissen of ze nog willen opgenomen worden of hun kinderen willen zien. Daar is de laatste zes maanden ‘nul’ over nagedacht of gediscussieerd.”

Ik bedoel daarmee dat we eigenlijk niet (genoeg) nagedacht hebben over de vorige periode. De cijfertjes werden gevolgd en door de coronaprofessoren geduid. De politiek trok de vijs open of zette ze weer wat meer toe. De meesten van ons volgden vrij tot zeer gedwee. Nu is het nog meer van hetzelfde: “Oeioei de cijfers en de opnames en oeioei rood hier en rood daar en er wordt niet goed getest en nu gaan ze ook de symptoomloze niet meer testen, oeioiei.” Ze trekken weer allemaal aan de alarmbel en de maatregelen volgen elkaar op, om ter strafst; op het vroegste speruur is de nieuwste. Als het zo doorgaat, ik woon in Wallonië, mag ik na 16.00 uur niet meer buiten, zelfs niet om te fietsen met mondmasker. 

Ik had het in dit dagboek maanden geleden over Advance Care planning. Laat mensen zelf beslissen of ze willen getest worden in het rusthuis, laat ze zelf beslissen of ze nog willen opgenomen worden of hun kinderen willen zien. Daar is de laatste zes maanden niets aan veranderd. Daar is ‘nul’ over nagedacht of gediscussieerd. 

Bovendien is de grootste risicofactor te sterven van corona-armoede. Arm maakt ziek en ziek maakt arm, voor en tijdens corona. “Nee, er is geen oversterfte door corona merkbaar onder Belgen jonger dan 65 jaar. Maar tijdens de coronacrisis zijn er wel tot vijf keer meer overlijdens bij de armen dan de rijken, blijkt uit een Leuvens-Londense studie”, las ik in Knack vorig weekend. Dat is wel goed voor mijn geestelijke gezondheid, lezen. Er stond ook “onder de 65-plussers stierven er duidelijk meer mensen die in Polen, Italië of Turkije het levenslicht zagen dan in België of onze buurlanden. De oversterfte is bij de eerste groep bijna twee keer zo groot.”

Aan de pulloverprofessor werd deze week tijdens één van de coronashows gevraagd wie er op intensieve ligt. “Van alles”, zei hij. Tenzij men het mij wat beter uitlegt, wat ik bijzonder zou appreciëren in plaats van de totale bangmakerij, is die “van alles” toch wat genuanceerder, denk ik.

Ik denk dat het beleid, dat trouwens een heel stuk zachter, empathischer en communicatiever is geworden met onze Belgische Justin Trudeau op kop, ook best eens duidelijk zegt dat dit spel nog bijlange niet gedaan is. Dat er geen maatregel of een triljoen zijn die dit zal stoppen. Dat een nieuwe sneltest met een nog slechtere sensitiviteit, dus nog meer vals-negatieve, het niet zal oplossen. Dat het vaccin er nog bijlange niet is en dat we zelfs niet weten of er ooit één komt dat werkt zonder veel nevenwerking. Hij heeft het wel over voor elkaar zorgen, wellicht ten dele, terug geïnspireerd op dit dagboek.

We zijn zo stilletjesaan in twee grote groepen beland in deze marathon van waanzin. De groep die het liefst in de kelder zou blijven om er alleen maar uit te komen om zich elke dag laten testen en die de studenten liefst wil opsluiten. De andere groep is meer van de strekking om dit met de statistici, epidemiologen en virologen te doen. De artsen zijn ook in de beide groepen vertegenwoordigd. Dit verzoenen in een land waar men niet zoals in Nederland tegen de medeburger zegt “zou je niet je maskertje aandoen”, maar naar de politie belt om te zeggen “mijn buur zet zijn masker niet op en hij heeft twee knuffelcontacten”, zal lastig zijn. 

Maar Vivaldi heeft de vier jaargetijden gecomponeerd en die volgen elkaar op. Cycliciteit, zo is bekend, werkt rustgevend.

XXV Ophokplicht (3/11/2020)

Marjans wat oudere invalide man is vrijdag positief getest met symptomen en is dus ziek. Zij is in quarantaine voor haar officieel werk aan de kassa in een groot warenhuis. Omdat het ook voor de COVID-waanzin – als iemand zich nog herinnert hoe dat was – al financieel niet spetterend was, kuist ze een beetje hier en daar in het zwart. Ze wil getest worden, want als het negatief is, kan ze, hoopt ze, vroeger terug aan het werk. Officieel en ook officieus. Ze vindt het allemaal maar knudde, die regeltjes. Ik zeg dat ik haar heel goed begrijp, maar als ze positief test, wat heel waarschijnlijk is, dan mag ze waarschijnlijk nog langer in haar kot blijven.

Pol, Poppolle pour les dames, een 60-jarige diabeticus met overgewicht en Jupilerofiel is vorige week positief getest en matig ziek. Hij is dus in arbeidsongeschiktheid thuis met de nodige papieren en uitleg rond rode vlaggen. Twee dagen later belt hij de praktijkassistentie, onze rots in de branding, voor een afspraak voor zijn pilletjes. Dat virus heeft een voorkeur voor die olfactorische zenuwen en dat is meer en meer mijn gevoel, een beetje te dicht bij de hersenen.

Geneviéve, alleenstaande, krasse madame van 88, belt gisterenmorgen. “Ik heb al een week een soort griep”, zegt ze, “en de koorts wil niet zakken. Heb continue 38°C. Sinds eergisteren smaak of ruik ik niets meer. Heb je niets straffers dan Dafalgan? En wanneer kom ik best voor mijn grieppikuur?” Ik heb haar gezegd vooral zo verder te doen, met kaarsen of bidden of wat dan ook, en vooral terug te bellen als het niet meer gaat.
Een greep uit mijn patiëntencontacten van gisteren leert mij dat niet iedereen op de spoed of op de intensieve raakt en dat de COVID-consignes niet makkelijk ingang vinden bij iederéén. Ik heb een paar patiënten die al een quarantaineperiode of vier achter de rug hebben. Met een beetje creativiteit en handigheid heeft iedereen nu al zoetjesaan wel een risicocontactje achter de kiezen en ben je algauw een paar weekjes thuis in deze waanzin. Langs de andere kant willen de Marjans onder ons terug aan de slag. Er zijn rekeningen te betalen voor studerende kinderen. Kun je het hen kwalijk nemen? 

Terzelfdertijd zie ik natuurlijk ook die vreselijke cijfers van opnames en sterfte en hoor ik van het overlijden van een nauwelijks oudere, lieve collega. Het komt wel heel dicht, als iemand sterft van wie je het gsm-nummer in je telefoon hebt, aldus mijn eeuwige steun An. Dat klopt ijzig. De waanzin blijft aanhouden. Dat virus is zo onvoorspelbaar als bepaalde voetbalcoaches. Negentigjaren overleven het met een glaasje witte wijn in de hand en hier en daar, zeer uitzonderlijk maar toch, sterft een ogenschijnlijk gezond iemand. Zeer interessant, maar ook zeer bitter. 

“Ik blijf fietsen tegen wind en in de regen, mediteer mij te pletter en droom van de doorstart van Anderlecht. Alstublieft, pak mij dat ook nog eens niet af. Help meedenken naar meer perspectief.”

Het is en blijft een smerig beestje en ik begrijp de bezorgdheid van de experten en ik snap voor welke strategie gekozen wordt. Of dat nu altijd met bangmakerij dient gepaard te gaan, is iets anders. Zou er niet iets meer uit bezorgdheid gecommuniceerd kunnen worden met een sausje van bescheidenheid? Dan is er misschien iets meer kans om de echte ontkenners van het zonlicht alsnog mee te krijgen.

Het hoogste cijfer dat ik over de waanzin in dit land las, zijn de coronaboetes: 140 000 en we zijn nog nergens want de nieuwe ‘ophokplicht’ is pas begonnen. Er zijn volgens mij een beetje te veel veeartsen bij die experten. Dit is uiteraard zeer subjectief, dat mag nog hoop ik, maar die lui kijken niet op een varkentje of kippetje meer of minder binnenhouden. Ik zou hier bijna een smiley hebben achter gezet, vrees ik.

Moest er ooit naar gevraagd worden, ik zou mezelf omschrijven als redelijk taai en dito positief. Als ik na de dagtaak even neerzit om een beetje te lezen, een half uurtje lezen per dag werkt zen, zo is aangetoond, denk ik over perspectief. De trouwe lezers onder jullie en dat zijn er nogal wat, zullen zich Viktor Frank herinneren, psychiater en ervaringsdeskundige Holocaust, die het over de essentie van plannen maken had, om veerkracht en overleven te stimuleren.

Misschien kunnen we terug de ideeënbus lanceren of één coronashow daaraan besteden, want ik heb het een beetje lastig om nu in deze waanzin daarin zeer creatief te zijn. Misschien moet ik terug in Sinterklaas gaan geloven of kunnen ze dat misschien ook verplichten? Zwarte Piet uiteraard niet, want die is niet langer politiek correct en dient alleen nog maar om die naar elkaar door te schuiven. De grootste optimist heeft nu wellicht een zwart lijntje rond zijn gedachten, maar ik blijf zoeken naar projecten. Suggesties zijn welkom. En gelukkig heb ik mijn dagboek om een beetje in te zeuren.

Morgen, als de staat van beleg niet afgekondigd is, weten we welk oud, wit, grijs ventje de president van de Verenigde Staten wordt. Echt toekomstperspectief is dat ook niet. Ik blijf fietsen, zaterdag nog 2.15 uur, met dochter en vriendje, tegen wind en in de regen, mediteer mij te pletter en droom van de doorstart van Anderlecht. Alstublieft, pullover- en andere professoren, pak mij dat ook nog eens niet af. Help meedenken naar meer perspectief.

XXVI Champagne voor de vaccins (19/11/2020)

Sinterklaas, de lieve man uit Spanje, komt dan toch, een weinig met de ‘roe’; coronaboeten voor wie niet flink is, maar vooral met lekkers. Een vaccin, een ‘amazing’ vaccin, a ‘great’ vaccin. The ‘greatest vaccin ever’, als we al het hiephiephoera in de coronashows mogen geloven. De mediaberichtgeving over de resultaten zijn mega enthousiast. Stalinistische succescijfers.

Ik dacht dat het vooruitschrijdend inzicht ons nog niet alles had geleerd over SARS-immuniteit en de duur en kracht daarvan. Dat het ook immunitair een lastig beestje is. Dat is toch wat men schreef en vertelde rond infectie, herinfectie en de onzekere status van verwerven van immuniteit. Maar nu opeens na enkele maanden, een zucht in wetenschappelijk tijdsbesef, zonder weinig ‘re’-search of herhalende bevestiging van feiten, de nieuwe messias, één of twee prikjes. Uiteraard moeten we blijven flink zijn, voorlopig. De cafés en restaurants zullen ook ooit weer opengaan, in de lente wellicht, het jaar wordt er bijna niet meer bijgezet. 

Ik ben niet argwanend, maar wel kritisch, zoals filosofe Tinneke Beeckman het omschrijft. Argwanend ben je als je a priori twijfelt aan de goede bedoeling van de ander. Kritisch is vertrekken vanuit de feiten. Ik hoor niet thuis in de ‘anti-vacc-lobby’, maar het gaat mij allemaal een beetje te snel met te veel feestgedruis. Feestjes zelf kunnen uiteraard niet. Maanden in ons kot, testen, testen met vaak weinig performante tests, maar nu eindelijk…het is er. De grote doorstart wordt ons mogelijk gemaakt door de wetenschap. Je zal mij niet horen klagen dat de Olympische Spelen doorgaan of dat ik getuige mag zijn dat de Rode Duivels Europees kampioen worden, maar of dat alleen debet is aan één van de talloze vaccins, dat lijkt mij nog iets anders.

Eén kritische journalist probeerde in één van de coronashows wat voorzichtig te zijn, maar werd snel weggehoond. Want had hij ook niet ooit in de farmaceutische industrie gewerkt? Onze nieuwe minister van gezondheid vindt het, terecht, ook een knalprestatie van de wetenschap, maar zegt toch ook: ‘wacht, wacht even’.

Als ik dan ook nog eens lees dat de superpief van één van die weldoeners uit de farmaceutische industrie, een veearts, op de dag van het ‘breaking news’ 62% van zijn aandelen verzilvert, voor ongeveer 50.000.000 (vijftig miljoen) euro, dan stijgt mijn kritische waakvlam, die altijd aan is, naar één van de populairste woorden op dit moment: ‘alarmbel’-niveau.

Spinoza kwam oorspronkelijk uit het nabijgelegen Portugal maar was in Nederland verzeild geraakt, kan gebeuren. Hij is veruit mijn lievelingsfilosoof. Tinneke Beeckman schreef er na haar doctoraat een boek over. Hij kent iets van pandemieën, want hij leefde tijdens één van de pestepidemieën in de zeventiende eeuw. Hij waarschuwde ook al voor de angst en onzekerheid en hoe de weg dan openligt naar charlatans of manipulatie.

Dat bleekwater intraveneus niet werkt en dat er geen chips zitten in mondmaskertjes en dat het allemaal een complot is van de Chinezen of de vleermuizen kan gemakkelijk ontkracht worden. ‘Men moet menselijke handelingen niet bespotten, niet betreuren, niet veroordelen, doch begrijpen’, is een andere quote toegeschreven aan Spinoza. Ik oefen mij daar al jaren met wisselend succes in. Als mensen kracht vinden in nonsens tijdens deze waanzin, dan is dit, uiteraard, oké voor mij. Zo ver ze dit niet gewelddadig door de strot van anderen willen duwen of anderen kwaad willen berokkenen.

Wij, huisartsen, hebben trouwens ook allemaal zo’n patiënten en daar is in se ook niets mis mee. Dat was het onderwerp van een recente Panoreportage. Ik werd hierover gebeld door de vriendelijke Victor van de redactie. Wat ik daarvan vond en of ik hierover iets wou schrijven. Ik kan het niet genoeg herhalen en het blijft mij verbazen: dit dagboek wordt gelezen. 

“Sinterklaas is in het land en heeft wat lekkers meegebracht: een vaccin, een ‘amazing’ vaccin, a ‘great’ vaccin. ‘The greatest vaccin ever’, als we al het hiephiephoera in de coronashows mogen geloven.”

Of de vaccinindustrie gelijk heeft, weet ik niet, ook niet of ze ongelijk heeft overigens. Ik hoop dat wij even effectief reageren als de ratten. Maar ik behoor ook tot de Softenon-generatie en ben dus een tikkeltje sceptisch voor langetermijneffecten. ‘Hoe volmaakter iets is, des te meer is het werkzaam’, nog ééntje van Spinoza. Misschien is het nog ietsjes te vroeg om het hele vaccingebeuren al die status van quasi perfectie toe te schrijven.

Geneviéve, 88 jaar, is ondertussen onwetend, sakkerend, thuis, alleen, door een corona-infectie gesukkeld volgens haar zeggen door verse appelsienen. Elke expert-opinion wordt naar waarde geschat in dit dagboek.

Mijn oproep naar perspectief is wat magertjes beantwoord en dan ben ik nog optimistisch. ‘De slimste mens’ is toch wel een flinke hulp in deze waanzin. Ik geniet er elke avond van en doet mij ook denken aan de eindreflectie van één van mijn nieuwe haio’s in het, uiteraard, online seminarie dat wij delen. ‘Wjj hebben ons goed geamuseerd, het was interessant en het is tot mijn verbazing nauwelijks over corona gegaan.’ 

Fietsen doe ik natuurlijk ook, vorige week woensdag 11 november bijna vier uur lang langs oorlogskerkhoven in de buurt; Franse, Britse, Belgische en een schaarse Duitse. Even goedendag zeggen aan de oud-strijders en aan de kameraden van mijn grootvader die dienden in het 18de Linieregiment en in de buurt begraven zijn en zo ongewild ontsnapten aan twee pandemieën. Samen met mijn buur, ook kleinzoon van, maar van een Grenadier. In stilte ‘skarten’ tegen de wind, maar ook genieten van het mooie geel, oranje en rood dat de natuur ons dit jaar brengt. Ik kreeg een fotootje van een lieve collega over die kleuren in de natuur en let er sindsdien nog meer op. Nooit gezien dat wij hier zo’n mooie kleuren hebben en stil, zo stil dat het courage geeft, even spiritueel als het geluidloze Lapland of Lalibela. Zonder veel zever sporten, door een schitterend landschap, dwars door werelderfgoed. Dat kostte voor de waanzin een bom duiten.

Ondertussen is er nog razend goed nieuws, een ongekend positief effect van de coronawaanzin: de prijs van champagne is gedaald. Ongezien, gewoon een logisch effect van ouderwetse vraag en aanbod, maar tastbaar en zichtbaar. Voor één keer zou ik tegen de logica willen ingaan en oproepen tot wat veelal ontraden wordt: hamsteren. Spinoza, zelf een asceet, moge het mij vergeven.

Deze teksten weerspiegelen de persoonlijke visie van de auteurs en die is niet noodzakelijk dezelfde als die van Domus Medica.