Voorrang tegen betaling? Niet verenigbaar met de medische deontologie

Mag een patiënt sneller op consultatie komen als die bereid is daarvoor een hoger ereloon te betalen? Volgens een recent advies van de Nationale Raad van de Orde der artsen is het antwoord duidelijk negatief.

In zijn advies van 16 oktober 2026 onderzocht de Nationale Raad of het deontologisch aanvaardbaar is om patiënten tegen betaling van een hoger ereloon sneller toegang tot zorg te geven.

Hoewel artsen in principe een zekere vrijheid hebben bij het bepalen van hun ereloon, is die vrijheid niet onbeperkt. Een arts moet zijn ereloon correct, eerlijk en gematigd vaststellen en rekening houden met zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een toegankelijke, rechtvaardige en niet-discriminerende gezondheidszorg.

Volgens de Nationale Raad leidt een systeem waarbij patiënten tegen betaling sneller geholpen worden tot gezondheidszorg met twee snelheden. Patiënten met meer financiële middelen zouden sneller toegang tot zorg krijgen, terwijl patiënten die de hogere kost niet kunnen dragen langer moeten wachten.

Dat is volgens de Raad niet alleen problematisch vanuit het oogpunt van toegankelijkheid, maar creëert ook een ongeoorloofd onderscheid op basis van de financiële draagkracht van patiënten.

Bovendien wijst de Raad erop dat artsen alle patiënten even gewetensvol en zonder discriminatie moeten behandelen. De belangen van de patiënt en van de maatschappij moeten daarbij primeren op de eigen financiële belangen van de arts.

Voor huisartsenpraktijken is vooral deze boodschap belangrijk: voorrang bij de toegang tot zorg mag worden bepaald door medische criteria, niet door de bereidheid of mogelijkheid van een patiënt om meer te betalen.

Het is dus wel verantwoord om bepaalde patiënten sneller in te plannen op basis van bijvoorbeeld de urgentie van de zorgvraag of de ernst van de aandoening. Een patiënt prioritair een afspraak aanbieden omdat die daarvoor een hoger ereloon betaalt, is volgens de Nationale Raad daarentegen in strijd met de wettelijke en deontologische uitgangspunten.

Dat onderscheid is ook relevant bij het organiseren van agenda’s en triage in de huisartsenpraktijk. Het voorzien van plaatsen voor dringende zorg of het sneller inplannen van een patiënt na medische inschatting blijft uiteraard mogelijk. Het criterium daarvoor moet de zorgnood zijn, niet de financiële bijdrage van de patiënt.

Yente Reinenbergh
Jurist