Diagnose

  • De huisarts moet regelmatig het lichaamsgewicht van zijn patiënten meten om tijdig overgewicht (BMI 25 tot 29,9) en obesitas (BMI van 30 of meer) te identificeren (niveau 3 van bewijskracht).
  • Obesitas is geassocieerd met een belangrijk aantal complicaties en comorbiditeit. De huisarts meet daarom systematisch de buikomtrek bij obesitaspatiënten om het type obesitas en het geassocieerde gezondheidsrisico te kunnen bepalen (niveau 1 van bewijskracht).
  • Het is belangrijk obese patiënten met een eetbuistoornis te identificeren en adequaat door te verwijzen naar een psychiater of psycholoog gespecialiseerd in de behandeling van eetbuistoornissen (niveau 3 van bewijskracht).
  • Vooraleer een behandeling te starten, gaat de huisarts na in welke mate de patiënt gemotiveerd is om te veranderen (volgens het ‘Stages of Change’-model van Prochaska & DiClemente). Om een patiënt te motiveren tot gedragsverandering is het ‘motivationele interview’een goede manier (niveau 3 van bewijskracht).

Behandeling

  • De behandeling van obesitas is individueel gericht en verloopt stapsgewijs. Een combinatie van dieet, gedragsen bewegingsadvies is effectiever in gewichtsreductie en -behoud dan elk van deze behandelingen apart (niveau 1 van bewijskracht).
  • Het is zinvol en haalbaar om in zes tot twaalf maanden een gewichtsdaling te bereiken van 5 à 10 % (niveau 1 van bewijskracht).
  • Begeleiding van dieet vertrekt van het voedingspatroon van de patiënt en gebeurt het best door een diëtist(e) (niveau 3 van bewijskracht).
  • Fysieke activiteit heeft een beperkte invloed op het gewichtsverlies (niveau 1 van bewijskracht), maar speelt wel een belangrijke rol in het behoud van de gewichtsvermindering (niveau 2 van bewijskracht).
  • Het is belangrijk dat obese patiënten zoveel mogelijk beweging inbouwen in hun dagelijkse leven. Driemaal per week een halfuur wandelen is een realistisch vertrekpunt om de fysieke activiteit te verhogen (niveau 3 van bewijskracht).
  • Farmacotherapie met orlistat of sibutramine kan enkel ondersteunend werken, als adjuvans bij een multidisciplinaire aanpak, bij patiënten met een BMI hoger dan of gelijk aan 30 of bij patiënten met comorbiditeit en met een BMI tussen 27 en 29,9 . Het te verwachten bijkomende effect op het gewicht is beperkt, met name lager dan 5 % en dit bij langdurige therapie (zes tot 24 maanden) (niveau 1 van bewijskracht).
  • Chirurgie wordt toegepast wanneer alle andere minder invasieve behandelingen hebben gefaald en is voorbehouden aan patiënten met morbide obesitas (BMI hoger dan 40) en patiënten met een BMI boven de 35 met comorbiditeit (niveau 3 van bewijskracht).
  • Na de ingreep is een multidisciplinaire begeleiding essentieel voor het welslagen van de gewichtsreductie en het opsporen van neveneffecten van de procedure (niveau 3 van bewijskracht).

(Voor de betekenis van de verschillende niveaus van bewijskracht, verwijzen we naar het artikel van Van Royen P. Niveaus van bewijskracht. Levels of evidence. Huisarts Nu 2002;31:54-7).