Gefaseerde behandeling

De aanpak van obesitas is in de praktijk erg moeilijk en wordt slechts door een beperkt aantal artsen opgenomen (38). Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele patiënten verschillende mogelijkheden uitproberen: vermageringsadviezen van huisarts of diëtist(e), afslankcursussen via commerciële organisaties zoals Weight Watchers, excentrieke afslankdiëten zoals de sherrykuur, koolsoepkuur enzovoort. Er is daarnaast een groeiende markt van allerlei specifieke producten, zoals substitutieproducten voor energierijke voedingsmiddelen en maaltijdvervangers (39).

De aanpak van obesitas in de huisartsenpraktijk is individueel gericht en verloopt stapsgewijs (40). De drie pijlers van de behandeling zijn: dieet, gedrags- en bewegingsadviezen (41). Er kan ook nog farmacotherapie of een chirurgische behandeling worden overwogen (zie tabel 3).

Tabel 3: Selectie van behandelingsstrategieën volgens BMI-categorie, in functie van andere comorbiditeiten of risicofactoren (42).
- BMI-categorie (kg/m2)
Behandeling 25,0-26,9 27,0-29,9 30,0-34,9 35,0-39,9 >=40,0
Dieet, gedrags- en bewegingsadviezen Met comorb. Met comorb. + + +
Farmacotherapie - Met comorb. + + +
Heelkunde - - - Met comorb. +
De + geeft aan dat een bepaalde strategie geïndiceerd is, ook zonder de aanwezigheid van andere comorbiditeiten of risicofactoren.
Met comorb. = Met comorbiditeiten

Uit onderzoek is gebleken dat door herhaalde en niet-volgehouden dieetkuren de patiënt dikwijls eindigt met een gewichtstoename die soms groter is dan het voorbije gewichtsverlies. Men noemt dit het 'jojo-effect'. Dit effect is gedeeltelijk te wijten aan de gevolgen van een onevenwichtig dieet, waarbij een daling ontstaat van de energiebehoefte (basaal metabolisme) ten gevolge van verlies van vetvrije massa. Deze aanpassingen gebeuren bij opeenvolgende dieetkuren sneller, waardoor energie telkens gemakkelijker wordt opgeslagen dan verbrand, wat de behandeling steeds moeilijker maakt.

Men start een behandeling enkel op voor obesitas bij een BMI >=30 of bij overgewicht met een BMI tussen 25-29,9 als er comorbiditeit aanwezig is. In alle andere gevallen geeft de huisarts geen advies over een behandelingsaanpak, maar kan hij op vraag van de patiënt wel voedingsadvies geven of hiervoor doorverwijzen.

Het gaat om een langdurig proces, dat over meerdere patiëntencontacten loopt. De therapeutische aanpak zal bovendien voor elke patiënt anders zijn, en zal ook soepel worden aangepast in het verloop van een langdurige begeleiding.

Een haalbaar doel is een gewichtsdaling van 5 à 10 % ten opzichte van het huidige lichaamsgewicht, over een periode van zes tot twaalf maanden. Een matig gewichtsverlies van 10 % geeft al aanleiding tot een belangrijke daling van de gezondheidsrisico’s (43). Daarna probeert men het gewicht stabiel te houden.