Anamnese

Bij de patiënt in de beslissingsfase met een duidelijke vraag naar verandering, kan de huisarts het klassieke consultatiemodel toepassen: diagnostische fase met gericht informeren, klinisch onderzoek en therapeutische fase. Hij verzamelt eerst een aantal anamnestische gegevens:

Hoeveel nam het gewicht toe, in hoeveel tijd (28)?

  • Hoe is uw eetlust en hoe zijn uw eetgewoonten? Het is hier belangrijk na te gaan of er sprake is van emotioneel of extern eten. Emotioneel eten is een reactie op negatieve emoties (teleurstelling, verveling en gespannenheid). Extern eten is vooral een reactie op externe prikkels, zoals geur, smaakvolle presentatie en gemakkelijke beschikbaarheid van het voedsel (29).
  • Eet u met opzet wat minder om niet dikker te worden? En hoe vaak slaat u aangeboden eten en drinken af omdat u aan uw gewicht wilt denken (30)? (lijngericht gedrag)
  • Eet u soms abnormaal grote hoeveelheden voedsel in korte tijd. Zo ja, hebt u dan het gevoel het eten niet meer onder controle te hebben, met schuld- en onrustgevoelens achteraf (31)?
  • Hoe zijn uw leefgewoonten (rookt u, drinkt u alcohol, gebruikt u drugs, doet u aan sport en beweging) (32)?
  • Gebruikt u bepaalde medicatie?
  • Werd u reeds behandeld voor overgewicht? Wat waren de vorige behandelingen? Ondernam u zelf al enkele pogingen?
  • Zijn er andere klachten zoals moeheid, lusteloosheid of kortademigheid?

We herhalen dat de juiste inschatting van de aard van het eetgedrag van groot belang is. De arts moet hierbij geducht zijn op het bestaan van een eetbuistoornis (zie kader) of boulimia nervosa.

Het is gebleken dat de eetbuistoornis sterk gerelateerd is aan de ernst van de obesitas en de aanwezigheid van grote gewichtschommelingen. Obese patiënten met een eetbuistoornis hebben, in vergelijking met obese patiënten zonder deze eetstoornis, ook psychische en psychiatrische problemen, vooral stemmingsstoornissen (depressie).

Wordt de diagnose van eetbuistoornis gesteld, dan verwijst de arts de patiënt bij voorkeur door naar een psychiater of psycholoog gespecialiseerd in de behandeling van eetstoornissen (33).

Diagnostische criteria van de eetbuistoornis (binge eating)

I.
Herhaalde episodes van eten:

  1. In een beperkte periode (bijvoorbeeld twee uur) een overmatige hoeveelheid voedsel eten.
  2. Gevoel van controleverlies of gebrek aan controle over het eten (het gevoel dat men niet kan stoppen met eten of kan controleren hoeveel men eet).

II.
De episodes van eten zijn verder geassocieerd met drie van volgende criteria:

  1. Veel sneller eten dan normaal.
  2. Eten tot men zich oncomfortabel vol voelt.
  3. Grote hoeveelheden eten terwijl men zich fysiek niet hongerig voelt.
  4. Alleen eten omdat men zich schaamt over de hoeveelheid.
  5. Walgen van zichzelf, zich depressief of erg schuldig voelen na het overeten.

III.
Er is een duidelijk onaangename spanning aanwezig over deze eetbui.

IV.
De eetbui komt gemiddeld voor ten minste twee dagen per week gedurende zes maanden.

V.
De eetbui is niet geassocieerd met het regelmatig gebruik van onaangepast of ondoeltreffend compensatorisch gedrag (braken, purgeren, vasten, excessieve lichamelijk beweging) en komt niet exclusief voor tijdens het verloop van anorexia nervosa of boulimia nervosa (34).

Klinisch onderzoek

Het is noodzakelijk eerst de gewichtstoename te objectiveren (35). De arts kan aan de hand van het klinisch onderzoek evalueren welke schade het overgewicht al heeft aangebracht aan de gezondheid van de patiënt.

De huisarts bepaalt hiertoe de mate van gewichtstoename. Hij meet het lichaamsgewicht (zonder schoenen) op een goede weegschaal en de lengte in cm. Aan de hand daarvan berekent hij een BMI-index. Dit kan met behulp van de eerder vermelde formule of een nomogram (zie figuur 1).

Figuur 1: Nomogram voor de bepaling van de Body Mass Index.

Om het morbiditeits- en mortaliteitsrisico te kennen, bepaalt de huisarts het type obesitas (‘appelvorm’ versus ‘peervorm’). Hier-voor meet hij de middelomtrek (zie tabel 2). Andere diagnostische technieken zijn niet zinvol in de huisartsenpraktijk (36).

Een algemeen klinisch onderzoek gaat verder na wat de oorzaak is van het overgewicht en of er reeds een weerslag is op de lichamelijke conditie: bloeddrukmeting, algemene inspectie van de huid, hart- en longauscultatie en palpatie van de schildklier.

Tabel 2: Classificatie op basis van de middelomtrek.
Verhoogd risico Sterk verhoogd risico
Mannen >=94 cm >=102 cm
Vrouwen >=80 cm >=88 cm

Aanvullend onderzoek

Aanvullend onderzoek heeft geen zin bij een BMI <30, tenzij er op basis van de persoonlijke of familiale anamnese en/of het klinisch onderzoek (middelomtrek) een verhoogd cardiovasculair risico bestaat.

Bij een verhoogd cardiovasculair risico en/of bij obesitas (BMI >30) is een laboratoriumonderzoek wel nuttig, met volgende bepalingen op een nuchter bloedstaal: glucose, cholesterol (totaal en HDL) en triglyceriden (37). Zijn er bijkomende risicofactoren en/of comorbiditeiten aanwezig, dan zal de aanpak van overgewicht of obesitas veel strikter moeten gebeuren (zie verder).