1. Screening: bij alle patiënten tussen 40 en 75 jaar die de huisarts consulteren, zal bij gelegenheid het cardiovasculaire risicoprofiel opgesteld worden (niveau van bewijskracht 3) door het inventariseren van de risicofactoren.


2. De risicobepaling kan gebeuren op basis van de Score-risicotabellen, aangepast aan de Belgische populatie (niveau van bewijskracht 2).


3. De opsporing en risicoclassificatie kunnen ook gebeuren aan de hand van een nieuw stappenplan dat een combinatie is van een klinisch algoritme (Boland et al. 2004) (niveau van bewijskracht 2) met de Score Belgium-risicotabellen. Dit vergemakkelijkt de implementatie van een globaal cardiovasculair risicobeheer in de huisartsenpraktijk.

  • Eerste stap: screening van zes klinische risicofactoren (ABCDEF*) (niveau van bewijskracht 2) bij personen tussen 40 en 75 jaar
  • Tweede stap: risicoclassificatie
    • Patiënten met een persoonlijke cardiovasculaire voorgeschiedenis lopen een hoog risico op een nieuw incident (E+ in het algoritme).
    • Patiënten met diabetes mellitus type 2 met nog één bijkomende risicofactor (ouder dan 50 jaar, hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten in voorgeschiedenis, familiale anamnese van hart- en vaatziekten én microalbuminurie) lopen eveneens een hoog risico op een eerste ischemisch incident (D+ in het algoritme).
    • Patiënten zonder risicofactoren (bij wie geen enkele van de bovengenoemde klinische risicofactoren aanwezig is) hebben een laag cardiovasculair risico, ook al zijn hun cholesterolwaarden niet gekend.
    • Rokers zonder andere risicofactoren (bij wie geen enkele van de bovengenoemde klinische risicofactoren aanwezig is) zullen een laag risico bereiken na één tot twee jaar rookstop.
    • Elk ander risicoprofiel is onbepaald en vereist een bloedafname met lipidenprofiel om tot een risicobepaling te komen met de Score Belgium-risicotabellen gebaseerd op de cholesterolratio (totaalcholesterol/HDL-cholesterol).
    • Het risico is hoog indien de kans op het doormaken van een fataal cardiovasculair incident binnen 10 jaar >= is aan 10%.
    • Het risico is matig indien de kans op het doormaken van een fataal cardiovasculair incident binnen 10 jaar tussen 5 en 9% ligt.
    • Het risico is laag indien de kans op het doormaken van een fataal cardiovasculair incident binnen 10 jaar tussen 0 en 4% ligt.
  • Derde stap: risicoreductie door behandeling

De hoogte van het individuele absolute risico op hart- en vaatziekten bepaalt het te volgen beleid (niveau van bewijskracht 3).


4. Hoogrisicopatiënten (incident in de voorgeschiedenis, diabetes type 2 of volgens Scoretabel >=10%) moeten intensief begeleid worden om een gezonde leefstijl aan te nemen (niveau van bewijskracht 3).

  • Niet roken (niveau van bewijskracht 2)
  • Regelmatige lichamelijke activiteit (niveau van bewijskracht 2):
    • minstens 5 keer per week matige fysieke activiteit gedurende 30 minuten,
    • personen die hiervoor te weinig tijd hebben, kunnen hun activiteit opbouwen via meerdere korte oefensessies van 8 tot 10 minuten (niveau van bewijskracht 2),
    • voor patiënten met een cardiovasculaire voorgeschiedenis wordt eerst het advies van een cardioloog gevraagd vooraleer ze met intensieve fysieke training starten (niveau van bewijskracht 3),
    • fysieke oefening bij personen met coronair lijden moet beginnen aan lage intensiteit en geleidelijk toenemen, gespreid over verschillende weken (niveau van bewijskracht 3).
  • Gezonde gevarieerde voeding waarbij de voedingsdriehoek als voedingsvoorlichtingsmodel gebruikt kan worden (niveau van bewijskracht 3).
  • BMI <=25 kg/m behouden of 10% gewichtsverlies bij obesitas (niveau van bewijskracht 3).


5. Elke hoogrisicopatiënt (incident in voorgeschiedenis, diabetes type 2 of volgens Scoretabel >=10%) moet volgende medicamenteuze behandeling krijgen:

  • Acetylsalicylzuur (niveau van bewijskracht 1): 75 mg tot 150 mg per dag (behalve indien tegenaangewezen)
  • Statine (niveau van bewijskracht 1):
    • eerste keuze: simvastatine of pravastatine 40 mg (niveau van bewijskracht 3),
    • streefwaarde totaalcholesterol <190 mg/dl en LDL-C<115 mg/dl (niveau van bewijskracht 3).
  • Indien ook hypertensie: strikte tensieregeling Bloeddruk <140/90 mmHg (niveau van bewijskracht 1):
    • eerste stap: thiazidediureticum (chlortalidone 25 mg),
    • tweede stap: ACE-I, bètablokker (niet atenolol) of calciumantagonist.
  • Indien diabetes: nog striktere tensieregeling bloeddruk<130/80 mmHg, bij microalbuminurie zeker mét ACE-I (niveau van bewijskracht 3).
  • Indien postinfarctpatiënten: bètalyticum (metoprolol 200 mg , propranolol 160 mg of timolol 20 mg), te overwegen ACEI (perindopril 8 mg of ramipril 10 mg).


6. Patiënten met een matig risico (Score 5-9%) worden begeleid om een gezonde leefstijl aan te nemen zoals de hoogrisicopatiënten (niveau van bewijskracht 3).
Overweeg bij deze patiënten een medicamenteuze therapie als bijkomende risicofactoren zoals (abdominale) obesitas of sedentarisme aanwezig zijn. Houd rekening met de wens en de motivatie van de patiënt alsook met de comorbiditeit die een impact heeft op de levensverwachting.

  • Acetylsalicylzuur (niveau van bewijskracht 3)
  • Statine (simvastatine of pravastatine 40 mg) (niveau van bewijskracht 2).
  • Normale bloeddruk (<140/ 90 mmHg), met behulp van medicatie indien nodig (niveau van bewijskracht 2)

Een nieuwe risicobepaling bij deze patiënten is zinvol na 1 jaar (niveau van bewijskracht 3).


7. Patiënten met een laag risico (Score 0-4%): een gezonde leefstijl wordt aanbevolen (niveau van bewijskracht 3).
Bij deze patiënten is een nieuwe risicobepaling na 3 tot 4 jaar zinvol (niveau van bewijskracht 3).


8. Om veranderingen in gedrag te kunnen bewerkstelligen en consolideren moet worden rekening gehouden met de motivatie van de patiënt om te veranderen (‘stages of change’-model van Prochaska en Di Clemente). Om een patiënt te motiveren tot gedragsverandering is het ‘motivationele interview’ een goede manier (niveau van bewijskracht 3).


9. Als therapie aangewezen is, wordt een individueel behandelplan opgesteld waarbij wordt rekening gehouden met bepaalde medische prioriteiten (rookstop, gezonde voeding, lichaamsbeweging, acetylsalicylzuur, statine) en de wens van de patiënt.
In vervolgconsulten wordt nagegaan of de streefdoelen worden bereikt en zo nodig wordt het beleid bijgestuurd (niveau van bewijskracht 3).


(Voor de betekenis van de verschillende niveaus van bewijskracht, verwijzen we naar het artikel van Van Royen P. Niveaus van bewijskracht. Levels of evidence. Huisarts Nu 2002;31:54-7).