Doelgroep: ALLEMAAL: hoog matig laag

Bepaalde aspecten van de leefstijl liggen aan de basis van het ontwikkelen van een hart- en vaatziekte. Veranderingen aanbrengen in deze ongezonde leefstijl is dan ook een objectief.

Voor hoogrisicopatiënten zal op een intensieve manier ondersteuning worden gegeven om een gezonde leefstijl te bevorderen (42).

Om veranderingen in het gedrag te kunnen bewerkstelligen en consolideren moet er worden rekening gehouden met het proces dat de patiënt en de arts hierbij doorlopen (43).

Stoppen met roken

Roken verhoogt het risico op coronaire hartziekten, CVA, abdominale aneurysma en perifeer arterieel lijden in belangrijke mate (44). Voor rokers is rookstop de interventie die de meeste gezondheidswinst kan opleveren (45).

Aan alle rokers moet een duidelijk rookstopadvies op maat gegeven worden (46). Er zal worden gepeild naar de motivatie om te stoppen met roken. Begeleid de roker en bied hem farmacologische hulp aan als dit is aangewezen. Stel een follow-upplan op.

Gezonde voeding

Ongezonde voeding en overgewicht, vooral in combinatie met abdominale vetophoping, gaan gepaard met een toename van het risico op een aantal metabole afwijkingen zoals insulineresistentie en een gestoord lipidenprofiel en verhogen zo ook het risico op een hart- en vaatziekte. Gewichtsverlies bij overgewicht heeft een effect op verschillende risicofactoren voor hart- en vaatziekten zoals bloeddruk, HDL-cholesterol en insulineresistentie (47).

Om de patiënt te wijzen op de juiste keuzes en verhoudingen van gezonde en gevarieerde voeding kan de voedingsdriehoek als voorlichtingsmodel gebruikt worden (48).

Lichaamsbeweging

Een inactieve leefstijl draagt bij tot een verhoogd risico op een hart- en vaatziekte (49). Personen in goede fysieke conditie hebben een lagere cardiovasculaire mortaliteit dan personen met een lage fysieke conditie, ook na correctie voor andere risicofactoren (50).

Regelmatig matige tot intensieve fysieke activiteit is geassocieerd met een belangrijke vermindering van de cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit (51). Het effect van regelmatige lichamelijke activiteit op hart- en vaatziekten is niet alleen direct, maar ook indirect door het inwerken op andere risicofactoren zoals bloeddruk en lipidenprofiel en het ontwikkelen van diabetes mellitus type 2 (52, 53, 54).

Bovendien is er een dosis-effectrelatie tussen de intensiteit en frequentie van fysieke activiteit en de cardiovasculaire bescherming (55).

Het beschermende effect van fysieke activiteit is het grootst bij personen met een hoog cardiovasculair risico. Zo toont een meta-analyse van 42 RCT’s aan dat cardiale revalidatie bij patiënten na een hartinfarct de mortaliteit met 30% doet dalen (56). Er is ook een bijzonder sterk beschermend effect van fysieke activiteit bij diabetespatiënten (57).

Het gezondheidsbevorderende effect van bewegen kan al behaald worden door ten minste 200 kcal per dag te verbruiken met middelzware lichamelijke activiteit (58). Praktisch wordt aanbevolen om te trachten vijf keer per week 30 minuten per dag te fietsen, stevig te wandelen, te tuinieren, en dergelijke.

Verschillende korte oefensessies per dag zijn even effectief als één lange sessie, zolang de totale verbruikte energie dezelfde is. Dit kan belangrijk zijn omdat kortere sessies, gespreid over de dag, haalbaarder zouden zijn. Mensen met tijdgebrek kunnen hun fysieke activiteit spreiden in periodes van telkens 8 à 10 minuten (59).

Bij patiënten die al een hartinfarct hebben doorgemaakt en daarvoor niet regelmatig fysiek actief waren, is er een kleine, voorbijgaande risicoverhoging op plotse dood bij het starten van het activiteitsprogramma (60). Voor deze groep is het nodig aan lage intensiteit te starten en geleidelijk de duur en de intensiteit op te drijven. Het kan nuttig zijn om een cardiologisch advies in te winnen alvorens te starten.

Deze voorbijgaande risicoverhoging voor hartlijders bij de start wordt echter meer dan gecompenseerd door de risicodaling die door een volgehouden programma kan worden bekomen (61).