Vóór de bepaling van het absolute risico (39)

Vooraleer de huisarts bijkomende onderzoeken uitvoert om het absolute cardiovasculaire risico te bepalen (bloeddrukmetingen of bloedafname voor cholesterolbepalingen), heeft hij de toestemming van de patiënt nodig. Als de huisarts zelf het initiatief neemt, dan motiveert hij de indicatie (40).

De huisarts informeert de patiënt dat bij verhoogde waarden van de bloeddruk de metingen herhaald zullen worden om de betrouwbaarheid van de resultaten te verhogen.

De huisarts legt aan de patiënt uit dat hij die gegevens wil gebruiken om de kans te berekenen dat die persoon aan een cardiovasculaire aandoening zal overlijden.

Na de bepaling van het absolute risico

De huisarts legt uit wat deze risicobepaling concreet voor de patiënt betekent. Hiervoor wordt het absolute risico gebruikt: voor hoogrisicopatiënten betekent dit dat minstens één persoon op tien met dezelfde risicofactoren, zonder interventie, binnen de tien jaar aan een hart- en vaatziekte zal overlijden.

Afhankelijk van het risiconiveau en de wensen van de patiënt zal een behandelplan worden opgesteld. Dit behandelplan kan uit meerdere interventies bestaan, met en zonder medicatie. Voor de meeste patiënten betekent dit dat ze levenslang de ingestelde therapie zullen moeten voortzetten.

Voor de verschillende componenten van de interventie worden de impact op het cardiovasculaire risico, de nevenwerkingen en de gevaren van de behandeling alsook de financiële gevolgen besproken. De huisarts maakt hiervoor gebruik van beslissingsondersteunende hulpmiddelen (onder andere de Score-tabellen en de elektronische risicocalculators) (41).

De huisarts bespreekt met de patiënt op welke manier de opgestarte behandelingen zullen worden opgevolgd.