De beslissing om uitstrijkjes slechts om de drie jaar terug te betalen, heeft niet alleen een invloed op het aantal uitstrijkjes, maar ook op wie het uitstrijkje neemt.

In 2009 besliste de overheid om de terugbetaling van een uitstrijkje te beperken tot één keer om de twee jaar. Tot dan werd het elk jaar terugbetaald. In 2013 werd de terugbetaling nog verder teruggeschroefd en spraken artsen en ziekenfondsen af dat dit slechts om de drie jaar zou gebeuren. Het remgeld viel dan wel volledig weg. Sinds 2013 nam het aantal uitstrijkje met maar liefst 50 000 eenheden af tot 623 000. Opmerkelijk is dat gynaecologen nagenoeg evenveel uitstrijkjes blijven doen als in 2013. De afname situeert zich zo goed als volledig bij de huisarts. In 1995 nam de huisarts bijna één op vijf uitstrijkjes (18,5%) voor zijn rekening. Ondertussen daalde dat tot minder dan één op tien (8,3%).

De daling van de activiteit bij de huisarts lijkt zich de voorbije jaren eerder te versnellen. Uit cijfers van het Riziv blijkt dat de huisarts in 2017 45 493 uitstrijkjes deed. Het jaar voordien waren dat er nog 49 718. Het aantal uitstrijkjes nam in één jaar bijgevolg af met maar liefst 8,5%. Ook het aantal opvolguitstrijkjes neemt bij de huisarts verder af: van 6431 in 2016 tot 6075 in 2017 (-5,54%).

In een reactie bij het weekblad Medi-Sfeer wijt Domus Medica-voorzitter Roel Van Giel de daling bij de huisartsen aan het overaanbod aan gynaecologen. “Het probleem is hier natuurlijk het overaanbod aan gynaecologen en de organisatie van de zorg waarbij er een volledige vrije toegang tot de specialistische lijn is.” Om de huisarts echt de centrale plaats te geven die hij verdient, stelt Van Giel vier maatregelen voor:

  1. Duidelijke afbakening van een aantal taken die exclusief tot de huisartsgeneeskunde behoren.
  2. Beperking van het aantal gynaecologen dat wordt opgeleid.
  3. Beperking van de toegang tot de tweede lijn.
  4. Een grote campagne die de bevolking duidelijk maakt voor welke behandelingen men bij de huisarts terechtkan.

Een duidelijkere taakverdeling tussen huisarts en gynaecoloog zal volgens Van Giel de participatiegraad van vrouwen uit de doelgroep enkel doen toenemen. Vandaag bedraagt die in Vlaanderen ongeveer 60%. Er is dus duidelijk ruimte voor verbetering. De maatregelen die de voorzitter van Domus Medica voorstelt, moeten een vicieuze cirkel doorbreken: gynaecologen begeven zich op het terrein van de huisarts waardoor die minder gynaecologische pathologie ziet. Na een tijdje gaat zijn expertise achteruit, waarna het argument volgt dat de huisarts deze pathologie niet meer tot zijn takenpakket moet rekenen omdat hij de nodige expertise en ervaring mist.