Inleiding

Sensoa, het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid, lanceerde eind september de ‘seksmythescampagne’. Alle huisartsen kregen een poster en steekkaart over praten over seksuele gezondheid in de bus. Met deze campagne wil Sensoa inzetten op het weerleggen van enkele veelvoorkomende mythes omtrent seksualiteit. Die staan een gezond seksleven vaak in de weg. De campagne kan ook een aanknopingspunt vormen voor huisartsen om te praten over seksuele gezondheid en sommige mythes te weerleggen.

Dit artikel geeft een overzicht van zes verschillende mythes en onderzoeksgegevens die deze mythes ontkrachten.

Daarnaast bevroeg Sensoa hierover ook huisartsen. Het overgrote deel wil seksuele gezondheid wel bespreken met de patiënten maar de nodige kennis of tools ontbreken. Daarom ontwikkelde Sensoa voor huisartsen een methodiek om seksuele gezondheid ter sprake te brengen.

Mythes over seks

Mythe 1: ‘Veel seks is een teken van een goede relatie’

In het Sexpert-onderzoek werden aan de hand van een representatieve steekproef 1825 Vlamingen bevraagd over o.a. hun seksfrequentie. Hieruit bleek dat de respondenten gemiddeld 1,2 keer seks per week hebben (mediaan = 1 keer per week). De Sexpert-cijfers stemmen overeen met internationale bevolkingsstudies.

Daarnaast toont onderzoek aan dat relationele tevredenheid niet gelijk evenredig opgaat met de seksfrequentie. Zo blijkt een bevredigend seksleven en een warm interpersoonlijk klimaat belangrijker te zijn dan het aantal keren dat men seks heeft.1 Communicatietechnieken rond seksuele wensen en voorkeuren zijn bepalend voor de algemene tevredenheid rond het seksleven.2

Mythe 2: ‘De beste seks is spontane seks’

Zin in seks komt niet vanzelf of uit de lucht gevallen; de context en de omstandigheden zijn belangrijke factoren om zin te kunnen laten ontstaan. In het begin van een relatie lijkt de zin in seks schijnbaar helemaal vanzelf te komen, maar deze context van beginnende verliefdheid evolueert en verandert tijdens een langere relatie.

Door gebrek aan tijd worden koppels soms aangeraden om seks in te plannen. Maar seks inplannen gaat voorbij aan het belang van de context of de omstandigheden waarin de zin in seks kan ontstaan. Inzetten op voorspel, intimiteit maar ook algemene affectie tonen aan elkaar gedurende de dag, hebben een positieve invloed op het creëren van zin.3 Het gaat dus niet over seks inplannen maar om tijd te plannen voor intimiteit in de brede zin van het woord: “Het bewust inplannen van meer kwaliteitstijd samen… om het ‘wij’-gevoel te creëren dat nodig is om überhaupt allebei zin te krijgen.”4

Een prettige seksuele ervaring is eveneens cruciaal om zin te krijgen. “Als het gaat om seks met een ander is die prettige ervaring voor de meeste mannen en vrouwen zowel het beleven van opwinding en klaarkomen, alsook het hebben van contact en het ervaren van een gevoel van verbondenheid en intimiteit.”4

Als mensen hun seksleven gaan afmeten aan onrealistische verwachtingen, heeft dit niet alleen een negatief effect op de seksuele tevredenheid maar brengt dit ook frustratie, een gevoel te falen en stress met zich mee.5 Met het concept ‘Good Enough Sex’ willen onderzoekers benadrukken dat de kwaliteit van seks varieert van keer tot keer, van heel erg goed tot middelmatig naar soms disfunctioneel. Het eigen seksleven bekijken vanuit deze realistische verwachtingen bevordert de seksuele tevredenheid en beschermt koppels tegen teleurstelling en seksuele problemen in de toekomst.6

Mythe 3: ‘Voor een orgasme moet de penis altijd in de vagina’

Mannen komen vaker klaar dan vrouwen: 90,2% van de mannelijke respondenten in Sexpert (2013) meldde ‘altijd of bijna altijd’ een orgasme te ervaren tijdens seks tegenover 47,7% van de vrouwen. Daarbij zei 14,5% van de vrouwen ten opzichte van 2,6% van de mannen nooit een orgasme te hebben ervaren.7

Deze orgasmekloof tussen mannen en vrouwen heeft te maken met een grote nadruk op penetratieseks. Vrouwelijke orgasmes worden gemakkelijk bereikt door middel van stimulatie van de clitoris en door voldoende aandacht te besteden aan voorspel en opwinding vooraleer men overgaat tot vaginale seks. Vrouwen komen bij masturbatie veel gemakkelijker tot een orgasme door stimulatie van de glansclitoris (tegenover alleen vaginale stimulatie) en ook bij gemeenschap komen vrouwen makkelijker tot een orgasme als de glans van de clitoris gestimuleerd wordt.8

Mythe 4: ‘Jongeren hebben steeds vroeger seks’

Uit onderzoek blijkt dat het percentage jongeren dat de eerste geslachtsgemeenschap beleeft vóór de leeftijd van 18 jaar, de laatste jaren hetzelfde blijft of zelfs daalt.9 Degelijke relationele en seksuele opvoeding leidt ertoe dat jongeren de eerste seksuele contacten uitstellen, minder seksuele partners hebben en minder vaak onbeschermd vrijen.10 Als ouders met hun kinderen praten over seksualiteit en anticonceptie vóór jongeren seksueel actief worden, zullen jongeren meer geneigd zijn om te wachten met de eerste keer seks. Ze zullen ook beter gebruik maken van anticonceptie en condooms.10

Praten over seks tussen ouders en kinderen zorgt er ook voor dat jongeren minder beïnvloedbaar zijn door sociale druk van hun peers om eerder seksueel actief te zijn.11 Seksuele opvoeding kan kinderen weerbaar maken tegenover die foute informatie en stereotiepe denkbeelden over seksualiteit weerleggen.12 Jong beginnen met seksuele opvoeding heeft voordelen voor kinderen én voor de ouders: ouders bouwen stap voor stap een sfeer van vertrouwen op met hun kinderen vóór dat seksualiteit een big issue wordt. Ouders hebben op die manier ook niet het gevoel plots de privacy van hun tiener te moeten schenden.13

Mythe 5: ‘Seks is iets voor jonge mensen’

Volgens Vlaams onderzoek heeft de categorie ouderen tussen 65 en 80 jaar één à twee keer seks per maand. Bij de vrouwelijke respondenten had 65% de afgelopen zes maanden geen gemeenschap tegenover 43% van de mannen.7 De seksfrequentie mindert wel naarmate de leeftijd vordert. De invloed van leeftijdsgebonden ziekte of ongemakken speelt hierin een belangrijke rol. De invulling van seks wordt omwille van ziekte en ongemak vaak breder ingevuld en vaginale seks maakt vaak plaats voor andere vormen van lichamelijkheid. Een groot aantal seksueel actieve ouderen meldden zelfs dat seks op latere leeftijd leuker wordt dan vroeger, omdat het minder gericht is op eenzijdige coïtus met orgasme als einddoel.4

Mythe 6: ‘Zwanger worden is gewoon een kwestie van plannen’

Vruchtbaarheid controleren is minder vanzelfsprekend dan men zou denken. Geen enkel anticonceptiemiddel werkt 100%. De WHO berekende dat zelfs in een ideale situatie er nog 5,9 miljoen ongeplande zwangerschappen per jaar zouden zijn. Een ongeplande zwangerschap gaat vaak gepaard met gevoelens van schaamte en/of onverantwoordelijkheid, terwijl niemand ervoor kiest om ongepland zwanger te zijn.14 Een vrouw is meer dan dertig jaar van haar leven vruchtbaar en moet dus ook doorheen erg verschillende levensfases een geschikt voorbehoedsmiddel vinden. De keuze van anticonceptie dient daarom vooral te worden afgetoetst aan de eigen levensstijl en levensfase.

Sinds we beschikken over goede anticonceptiemiddelen, betekent kinderen krijgen vaak het maken van een bewuste keuze. Het is echter ook een vals begrip; het enige dat mensen kunnen proberen te plannen, is de periode dat ze (nog) géén kinderen willen krijgen. De leeftijd waarop men kinderen krijgt, is dé belangrijkste oorzaak van de verminderde vruchtbaarheid in westerse landen.15 Een onbedoeld neveneffect van de grote medische vooruitgang op het vlak van fertiliteit is dat veel mensen ervan uitgaan dat als ze na hun vijfendertigste niet meer op natuurlijke wijze zwanger geraken, de geneeskunde hen wel zal helpen. Er heerst een groot misverstand over de mogelijkheden van vruchtbaarheidsbehandelingen. Veel mensen denken ten onrechte dat deze behandelingen aangewend kunnen worden om de periode te verlengen dat mensen kinderen kunnen krijgen.15

Praten over seks

Aangezien seksuele gezondheid een onderdeel is van gezondheid, spelen huisartsen een cruciale rol in het bespreekbaar maken van seksuele gezondheid.16 Toch blijkt dat 85% van de mensen met een verstoorde seksuele disfunctie nog nooit contact heeft gehad met een hulpverlener.

Mogelijk weten mensen niet bij wie ze terechtkunnen, denken ze dat hun probleem normaal is of speelt een schaamtegevoel het niet zoeken naar hulp in de hand.7 Heel wat seksuele vragen en bezorgdheden blijven dus onbesproken binnen de hulpverlening en de huisartsenpraktijk.17

Praten over seksuele gezondheid is niet altijd evident binnen de huisartsenpraktijk.18 Nochtans blijkt uit een eigen bevraging dat het overgrote deel van de huisartsen (94%) wel de nood ervaart om seksuele gezondheid meer ter sprake te brengen.19 De meerderheid van de bevraagde artsen (89,2%) gaf aan dat ze meer kennis willen over seksuele gezondheid; bijna drie vierde (72,5%) wou tijdens een vorming oefenen op hoe te praten over seksualiteit met patiënten. Verder gaf ruim meer dan de helft aan (63,7%) dat ze de nood hebben om regelmatig herinnerd te worden aan dit thema via nieuwsbrieven of persberichten. Seksuele gezondheid ter sprake brengen lijkt vooral uitdagend te worden als een directe aanleiding om dit te bespreken ontbreekt.20 Nochtans is dit wat patiënten net verwachten; een huisarts die proactief seksuele gezondheid bevraagt.18

Sensoa ontwikkelde daarom een methodiek die het bespreekbaar maken van seksualiteit als huisarts makkelijker maakt. De methodiek bestaat uit vier stappen.

Stap 1: Breng het ‘moeilijk’ thema seksuele gezondheid zelf ter sprake

Introduceer het thema seksuele gezondheid als een ‘delicaat’ thema en vraag toestemming om erover te praten.

Ook patiënten kunnen schroom en schaamte ervaren om hun seksuele bezorgdheden zelf te bespreken.7

Door aan te geven dat dit thema niet even evident is om als patiënt zelf ter sprake te brengen, geeft de huisarts indirect de boodschap dat het (mogelijk) ongemakkelijk gevoel hierbij oké is. De toelating vragen (“oké voor jou?”) aan de patiënt om dit thema aan te snijden verhoogt de betrokkenheid en gevoel van mede-eigenaarschap om dit thema samen te bespreken. Introduceer het thema seksuele gezondheid als onderdeel van de algemene gezondheid van de patiënt en dus als een onderdeel van het takenpakket van de huisarts.

Een andere mogelijkheid om seks ter sprake te brengen is naar aanleiding van bijvoorbeeld een onderzoek, medicatie, literatuur,… en de impact hiervan op seksualiteit. Een ander soort aanleiding kan zijn te verwijzen naar een eigen ervaring en bijvoorbeeld anoniem te verwijzen naar het wedervaren van een (fictieve) patiënt. Gebruikmaken van ‘een aanleiding’ geeft de huisarts de mogelijkheid om op een niet-intrusieve manier een (gevoelige) vraag te stellen aan de patiënt. De patiënt hoort dat de huisarts deze vraag over seksueel functioneren stelt omwille van een bepaalde voorkennis en ervaring en niet omwille van de specifieke situatie van de patiënt zelf, waardoor de patiënt dit als minder intrusief gaat ervaren. Bovendien krijgt de patiënt de boodschap dat praten over seksualiteit kan bij de huisarts en dat ook andere patiënten dit bespreken. Indien de patiënt inderdaad seksuele zorgen heeft, krijgt hij met deze aanleidingen ook indirect de boodschap dat hij niet alleen is met seksuele zorgen/moeilijkheden.

Stap 2: Stimuleer de patiënt zoveel mogelijk zelf te vertellen

Bevraag bezorgdheden, ideeën en verwachtingen en exploreer telkens de fysieke, psychologische en sociale (relationele) impact.

Deze tweede stap kent zijn theoretische onderbouwing in het PLISSIT-model.21 Annon toonde reeds in de jaren ’70 het belang aan om toelating te geven (permission giving) aan de patiënt om te mogen praten over zijn/haar seksuele bezorgdheden. De meeste mensen met seksuele problemen zouden hiermee reeds geholpen zijn. Het beluisteren van het verhaal biedt de mogelijkheid om erkenning en normalisering aan te bieden. Annon benadrukte dat er dus geen enkele specifieke voorkennis of ervaring nodig is om mensen deze toelating te geven.

Het exploreren van ideeën (Ideas), bezorgdheden (Concerns) en verwachtingen (Expectations), samengevat als ICE, wordt vaak als gesprekstechniek beschreven om het gesprek tussen arts en patiënt vorm te geven.22 Het exploreren van de patiënts eigen bezorgdheden, ideeën en verwachtingen zorgt voor een goede afstemming tussen arts en patiënt. Door te peilen naar ideeën komen er mogelijk informatietekorten naar boven. De bezorgdheidsvraag geeft een richting waar het prioritaire probleem ligt voor deze persoon. Door te peilen naar verwachtingen creëert men de mogelijkheid om transparant te zijn over een realistisch hulpaanbod en/of behandelplan.

Ook het BioPsychoSociaal (BPS)-model is een handig instrument om patiënten aan te zetten na te denken over hun zorgen en hen hierover te laten praten.23 Het BPS-model kan als kapstok gebruikt worden om vragen te stellen (bij voorkeur open vragen) zodat enerzijds de patiënt gestimuleerd wordt zijn verhaal te vertellen en anderzijds diagnostische informatie verzameld kan worden met betrekking tot de individuele situatie van de patiënt.

Stap 3: Vat samen wat de patiënt vertelt

De duur van een consultatie is beperkt, wat wil zeggen dat de arts op een respectvolle manier terug het gesprek in de hand moet nemen. Dit kan door een samenvatting te maken van datgene wat de patiënt net verteld heeft. Een goede samenvatting laat de patiënt zien dat de huisarts geluisterd heeft. Het geeft de huisarts de mogelijkheid om nadruk te leggen op bepaalde aspecten die de patiënt heeft verteld.

Tot slot geeft een samenvatting de mogelijkheid om het gesprek van richting te veranderen en af te ronden.24 Check of de samenvatting correct is door een gesloten vraag te stellen, zoals: “Klopt dit?” De vraag stelt de huisarts gesloten (ja/neen antwoord), omdat hij in deze fase de patiënt niet meer wil aanzetten om verder te vertellen maar juist wil nagaan of er nog aanvullingen of correcties moeten gebeuren.

Stap 4: Formuleer een mogelijk aanbod

In deze laatste stap wordt de cirkel rond gemaakt. Na de samenvatting hoort de patiënt dat de huisarts hem gehoord heeft, maar de vraag hoe het nu verder moet is hierdoor niet beantwoord. Uit de vraag naar ‘verwachtingen’ (expectations) zal wellicht al duidelijk worden waarop er (prioritair) ingezet kan worden.

Mogelijke behandelpistes zijn:

  • bespreek lichamelijke en/of technische onderzoeken;
  • corrigeer foutieve informatie en/of geef correcte informatie aan met betrekking tot seksualiteit; hiervoor kan men verwijzen naar www.seksualiteit.be of www.allesoverseks.be of www.zanzu.be;
  • stel een vervolgconsult voor;
  • doe een doorverwijsaanbod.

Besluit

Huisartsen spelen een cruciale rol in het bespreekbaar maken van seksuele gezondheid en het doorbreken van mythes hierrond.

Met een factsheet en steekkaart wil Sensoa huisartsen ondersteunen om het gesprek met hun patiënten over seksuele gezondheid meer aan te gaan.


Borms R, Vermeire K. Hoe seksuele gezondheid ter sprake brengen? Huisartsen kunnen seksmythes weerleggen. Huisarts Nu 2017;46:227-31.

pdfh46_05_Hoe-seksuele-gezondheid.pdf


Auteurs

  • Ruth Borms is beleidsmedewerker seksualiteitsbeleving bij Sensoa.
  • Katrien Vermeire is beleidsmedewerker preventie ongeplande zwangerschap bij Sensoa.

Meer informatie

U kunt meer informatie over de methodiek terugvinden in de uitgebreide factsheet en een beknopte steekkaart; deze is downloadbaar via www.domusmedica.be en www.sensoa.be/factsheet-praten-over-seksuele-gezondheid.

Sensoa en Domus Medica ontwikkelden ook een LOK-pakket ‘Let’s talk about seks’ dat u kunt aanvragen via www.domusmedica.be.

Zie ook:


Literatuur

  1. Schoenfeld E, Loving TJ, Pope MT, et al. Does sex really matter? Examining the connections between spouses’ nonsexual behaviors, sexual frequency, sexual satisfaction, and marital satisfaction. Archives of Sexual Behavior 2016:1-13.
  2. Montesi J, Robert L, Elizabeth A, et al. The specific importance of communicating about sex to couples’ sexual and overall relationship satisfaction. Journal of Social and Personal Relationships 2011:591-609.
  3. Harris R, Campbell L. Day-to-day changes in intimacy predict heightened relationship passion, sexual occurrence, and sexual satisfaction a dyadic diary analysis. Social Psychological and Personality Science 2012:224-31.
  4. Van Lunsen R, Laan E. Seks! Een leven lang leren. Prometheus; 2017.
  5. Metz M, McCarthy B. The ‘Good-Enough Sex’ model for couple sexual satisfaction. Sexual and Relationship Therapy 2007;22:3:351-62.
  6. McCarthy B, Michael E. The ‘Good-Enough Sex’ model: a case illustration. Sexual and Relationship Therapy 2008;23:227-34.
  7. Buysse A, Enzlin P, Lievens J, et al. Sexpert: basisgegevens van de survey naar seksuele gezondheid in Vlaanderen. Gent: Academia Press;2013.
  8. Laan E. Genot voor mannen en vrouwen: het plezier van seks ontrafeld. Lezing Singer museum. Laren; 2012. 
  9. Hublet A, Deforche B. Studie Jongeren en Gezondheid 2014. Gent: Vakgroep Maatschappelijke Gezondheidkunde; 2016.
  10. Kirby D. Emerging answers 2007: research findings on programs to reduce teen pregnancy and sexually transmitted diseases. Washington, DC: The National Campaign to Prevent Teen Pregnancy; 2007.
  11. Van de Bongardt D. Seksuele ontwikkeling tijdens de adolescentie in context: relaties met ouders en leeftijdgenoten. Tijdschrift voor seksuologie 2016;40:4.
  12. Robinson K, Smith E, Davies C. Responsibilities, tensions and ways forward; parents’ perspectives on children’s sexuality education. Sex Education 2017;17:333-47.
  13. Walker J. Parents and sex education – looking beyond ‘the birds and the bees’. Sex Education 2004;4:239-54.
  14. Harden A, Ogden J. Young women’s experiences of arranging and having abortions. Sociology of Health & Illness 1999:426-44.
  15. Instituut Samenleving & Technologie, IST dossier nr.20. Brussel: Vlaams Parlement; 2009.
  16. WHO-definitie seksuele gezondheid : www.who.int/reproductivehealth/topics/sexual_health/sh_definitions/en/
  17. Nusbaum M, Hamilton C. The proactive sexual health history. American Academy of Family Physicians 2002;66:1705-12.
  18. Verhoeven V, Colliers A, Verster A. Collecting data for sexually transmitted infections (STI) surveillance: what do patients prefer in Flanders. BMC Health Services Research 2007;7:149.
  19. Sensoa. Bevraging huisartsen. Intern rapport; 2016.
  20. Wimberly Y, Hogben M, Moore-Ruffin J, et al. Sexual history- taking among primary care physicians. Journal of the National Medical Association 2006;98:1924.
  21. Annon J. The PLISSIT Model: a proposed conceptual scheme for the behavioural treatment of sexual problems. J Sex Educ Ther 1976;2:1-15.
  22. Silverman J, Kurtz S, Draper J. Skills for communicating with patients (3rd edition). New York: CRC Press, Taylor and Francis Group; 2013.
  23. Engel GL. The need for a new model: A challenge for biomedicine. Science 1977;196:129-37.
  24. Miller W, Rollnick S. Motiverende gespreksvoering. Ekklesia; 2006.