Suggestiemenu

Gebruikerswaardering:  / 0
ZwakZeer goed 

kinderorthopedievan der Sluijs JA, Sakkers RJB, Bronswijk JAHM.
Praktische kindergeneeskunde. Kinderorthopedie.

Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2009:102 blz. ISBN: 9789031351817

Een van de voordelen van huisartsgeneeskunde is dat op vrijdagavond, wanneer er geen afspraak meer mogelijk is bij de pediater, kinderen op het spreekuur komen. Meestal gaat het dan over banale luchtweginfecties, maar dikwijls komen ouders met vragen die feitelijk belangrijker zijn: groeit ons kind wel normaal, wat te denken over platvoeten of over het naar binnen draaien van de voetjes bij het stappen.

Het pasklare antwoord ligt niet steeds onmiddellijk bij de hand, tenminste als de lezer niet beschikt over de boekjes uit de reeks ‘Praktische kindergeneeskunde’. Deze reeks slaagt er namelijk in om bijzonder compact de belangrijkste deelgebieden uit de pediatrie aan huisartsen te presenteren. Het dertiende deel, over kinderorthopedie, vormt hiervan nogmaals een treffend voorbeeld.

In vogelvlucht passeren in dit boekje de belangrijkste orthopedische problemen bij kinderen: standafwijkingen van rug en been, afwijkingen in heup, knie, voet of bovenste extremiteit en zelfs een summier stukje over ontstekingen en tumoren. De algemene strekking van het boek is dat veel afwijkingen variaties zijn op het normale, die geen verdere behandeling vragen: ‘Op 12-jarige leeftijd heeft de helft van de kinderen een fysiologische flexibele platvoet zonder dat dit klachten heeft.’ Of: ‘Meer dan 90% van de kinderen met (aangeboren) torticollis geneest spontaan.’

Natuurlijk is niet alles normaal en van de huisarts wordt verwacht om pathologie tijdig te herkennen. Zo wijst een holvoet bij kinderen in de helft van de gevallen wel op een onderliggende neurologische aandoening. Gelukkig is dit boekje ook hier een hulpmiddel, omdat op het einde van vrijwel elke probleembespreking nog eens de ‘rol van de huisarts’ aan bod komt, voor zover het voorgaande niet goed doorgenomen werd. Het is met andere woorden een heel praktisch boekje voor de consultatie, dat misschien beter niet te veel gebruikt wordt of je geraakt op vrijdagavond niet meer thuis! Nog voorbeelden van hoe eenvoudig dit boekje werkt. Om duidelijk te weten waar de oorzaak van een beenlengteverschil ligt, volstaat het om eerst het kind in ruglig te onderzoeken met de heup 90° in flexie en dan te kijken naar de hoogte van de knieën. Vervolgens draait het kind in buiklig met de knieën 90° in flexie: kijk nu naar de hoogte van de enkels. Ligt de oorzaak in het bovenbeen dan komen de knieën niet even hoog, ligt de oorzaak in het onderbeen dan komen de enkels niet even hoog (de test van Galeazzi).

Wie wil weten of een jong kind een mogelijke heupluxatie heeft, moet niet de proef van Ortolani doen (wie doet die trouwens juist?) en ook niet zoeken naar een mogelijke bilplooiasymmetrie (te weinig specifiek: dit komt namelijk voor in bijna een derde van de normale heupen). Ten eerste wordt nagegaan of er een beperkte abductie is, vervolgens of er een verkort bovenbeen is en ten slotte of het kind een waggelende gang vertoont. Herhaal deze onderzoeken in de tijd en blijf er vooral alert bij: een positieve familiale anamnese, een stuitgeboorte, torticollis en voetafwijkingen. Voilà!

T. Jacobs

U moet aangemeld zijn om reacties te kunnen plaatsen.