Acute Hoest

Gevalideerd onder het nummer 2002/04

Auteurs: Samuel Coenen, Paul Van Royen, Karel Van Poeck, Jan Michels, Peter Dieleman, Sabine Lemoyne, Joke Denekens
ICPC R05

pdf  Richtlijn (212.41 kB) , pdf Steekkaart (46.66 kB)

Diagnose

  • Eerst dienen met anamnese en klinische onderzoek pneumonie, longembolie, congestief hartfalen (longoedeem), pneumothorax, aspiratie en irritatie door toxische stoffen uitgesloten te worden. Hoewel deze aandoeningen weinig frequent zijn en acute hoest niet altijd de voornaamste klacht is, gaat het hier om behandelbare aandoeningen, waarbij onmiddellijk levensgevaar kan bestaan. Je mag ze dus niet missen (niveau 3).
  • Bij klinisch vermoeden van een pneumonie kunnen op basis van anamnese en klinisch onderzoek patiënten met een laag risico op overlijden of complicaties geïdentificeerd worden. Dit risico bepaalt de plaats van behandelen (niveau 2). Bij ambulante behandeling zijn antibiotica verantwoord, idealiter gedocumenteerd met een positieve longfoto (niveau 3).
  • Als voor de acute hoest een andere oorzaak dan een infectie duidelijk is (bv. astma, gastro-oesophageale reflux, ACE-Inhibitoren), dient het beleid hieraan aangepast. Meestal zijn deze diagnosen niet duidelijk bij een eerste contact maar moet hiermee toch rekening gehouden worden (niveau 3).
  • Is ten slotte een luchtweginfectie de meest waarschijnlijke diagnose, dan is het niet haalbaar virale van bacteriële luchtweginfecties te onderscheiden (niveau 2). Bovendien is het onderscheid niet zinvol voor het therapeutisch beleid (niveau 3).

Behandeling

  • Bij luchtweginfecties met acute (productieve) hoest, exclusief pneumonie (cf. supra), maakt een antibioticum geen verschil wat betreft (de duur van) de productieve hoest of de beperkingen bij werk of andere activiteiten. Op tien patiënten zijn er na zeven à elf dagen meer dan acht klinisch beter ongeacht het antibioticum. Minder dan één patiënt extra is klinisch beter door het antibioticum ten koste van evenveel patiënten met de neveneffecten ervan (niveau 1).
    De mogelijke voordelen van antibiotica wegen niet op tegen alle nadelen. Antibiotica zijn enkel bij gecompromitteerde immuniteit te verantwoorden (niveau 3).
  • We pleiten voor het navragen van de patiëntenverwachtingen, de patiënt gerust te stellen en informatie te geven over de oorzaak en de duur van de klachten, desgevallend uit te leggen waarom een antibioticum niet nodig is en af te spreken in welke situaties de patiënt dient terug te komen (niveau 3).
  • De werkzaamheid van OTC-geneesmiddelen is onduidelijk. Voor de symptomatische behandeling kunnen een antitussivum (dextromethorfaan) of een expectorans (guaifenesine) worden voorgeschreven (niveau 3).