De Hoge Gezondheidsraad formuleert nieuwe aanbevelingen over de preventie van varicella bij kinderen, adolescenten en personen met verhoogd risico. De Hoge Gezondheidsraad is overtuigd van het voordeel van de varicellavaccinatie (met twee dosissen), maar beveelt dit momenteel niet veralgemeend aan.

Varicella (= windpokken, waterpokken) wordt veroorzaakt door het varicella zoster virus (VZV). Primo-infectie geeft levenslange immuniteit. VZV blijft echter latent in het lichaam aanwezig en geeft bij 15-30 % aanleiding tot herpes zoster (gordelroos of zona), dit als gevolg van reactivatie van het latente virus. Hoewel de varicella-infectie meestal goedaardig verloopt, schat men dat er in België jaarlijks ca. 1000 hospitalisaties zijn in verband met windpokken, met 1 à 2 sterfgevallen per jaar (Bilcke et al., 2012). Hoewel zuigelingen, volwassenen en immuungecompromitteerde patiënten het hoogste risico hebben op een ernstiger verloop van varicella, komen de meeste complicaties en hospitalisaties voor bij voorheen gezonde kinderen. In een Belgische pediatrische studie bij meer dan 500 gehospitaliseerde kinderen met windpokken, waren bacteriële surinfecties, neurologische complicaties en pneumonie de meest frequente verwikkelingen. Bij 1 % van de gehospitaliseerde patiënten werden sequellen gezien bij ontslag; bij 9 % was er sprake van significante littekenvorming (Blumental et al., 2016).

Varicellavaccinatie is veilig en doeltreffend tegen ziekte en doorbraakinfecties, dit vooral na twee dosissen. De exacte beschermingsduur na vaccinatie is nog niet gekend, maar op basis van de huidige wetenschappelijke evidentie mag men wellicht spreken van 10-20 jaar na twee dosissen. In landen waar veralgemeende vaccinatie werd ingevoerd, werd een substantiële daling van het aantal varicellagevallen en varicellagerelateerde hospitalisatie en mortaliteit gezien, ook bij de niet-gevaccineerde populatie.

1. De HGR is overtuigd van het voordeel van de varicellavaccinatie (met twee dosissen) en van het nut van een twee dosissen vaccinatie, maar beveelt dit momenteel niet veralgemeend aan.

Voor een universele twee dosissen varicellavaccinatie moeten immers obligaat een belangrijk aantal voorwaarden vervuld worden:

  • bij invoering van de vaccinatie tegen windpokken mag de huidige vaccinatiegraad van het mazelen, bof en rubellavaccin niet gehypothekeerd worden (momenteel > 95 % voor de eerste dosis);
  • om het verschuiven van windpokken naar latere leeftijdsgroepen maximaal te vermijden, moet een windpokkenvaccinatiegraad van minstens 80% bereikt worden (voor de 2 dosissen) en moet een catch-up programma voor niet-immune adolescenten voorzien worden (ECDC, 2015).

Om deze voorwaarden van hoge vaccinatiegraad te vervullen, zal het vaccin – net zoals de meeste andere zuigelingenvaccins - best gratis via de vaccinatieprogramma’s van de gemeenschappen of gewesten worden aangeboden, is kennis van de attitude van de ouders over de introductie van deze vaccinatie wenselijk en moet gezocht worden naar de meest haalbare vaccinatiemomenten in het vaccinatieschema voor een monovalent of gecombineerd varicellavaccin.

Dit betekent een grondige bespreking van de financiering van het vaccinatieprogramma en een herziening van het vaccinatieschema, waarbij eventueel moet gedacht worden aan een extra vaccinatiemoment of eventueel vervroegen van de tweede MBR-vaccinatie.

Omdat hiervoor de nodige voorbereidingen moeten getroffen worden, beveelt de HGR in een eerste fase geen veralgemeende varicellavaccinatie aan; de HGR zal in een tweede fase pas tot zo’n veralgemeende aanbeveling overgaan van zodra de randvoorwaarden vervuld zijn.

2. Op individueel vlak kan een varicellavaccinatie met twee dosissen worden aanbevolen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de monovalente varicellavaccins of van een gecombineerd MBRV vaccin. Indien een arts op individueel vlak beslist tot varicellavaccinatie, is het belangrijk dat twee dosissen worden toegediend rekening houdend met het aanbevolen interval.

3. Er moet een blijvende aandacht zijn voor de vaccinatie van risicogroepen: niet-immune personen in nauw contact met immuungecompromitteerde patiënten, niet-immune volwassenen in de (para-) medische sector of in nauw contact met jonge kinderen, niet-immune vrouwen op vruchtbare leeftijd.

Bijkomende aanbevelingen

Gezien er nog onduidelijkheid is over de exacte duur van bescherming na varicellavaccinatie en over de mogelijke invloed van varicellavaccinatie op de incidentie van herpes zoster is het nodig om een goed surveillancesysteem op te zetten ter monitoring van de vaccinatiegraad en van de incidentie van varicella en herpes zoster.

Indicaties en vaccinatieschema

Algemeen

Indien de arts op individuele basis beslist tot varicellavaccinatie, worden twee dosissen aanbevolen.

Gezien een verhoogde incidentie van koortsconvulsies voorkomt na vaccinatie met het gecombineerd MBRV vaccin bij kinderen tussen de leeftijd van 12 en 23 maanden adviseren we voor de eerste dosis het monovalente vaccin bij kinderen die nog geen varicella doorgemaakt hebben.

Dit vaccin kan bv. op een extra later vaccinatiemoment gegeven worden én enkel op voorwaarde dat MBR-vaccinatie reeds toegediend werd (met een minimuminterval van 4 weken na MBR vaccinatie). De aanbevolen leeftijd voor de eerste dosis is dan tussen 13 en 18 maanden, de tweede varicellavaccindosis met een minimuminterval van 4 weken.

Doelgerichte vaccinatie van risicogroepen of -personen

Vaccinatie van niet-immune risicogroepen en -personen blijft aanbevolen voor:

  • adolescenten en jonge volwassenen zonder antecedenten van varicella?
  • niet-immune personen werkend in de gezondheidssector en
  • andere niet-immune personen in contact met immuungecompromitteerde patiënten of met jonge kinderen en
  • niet-immune vrouwen met zwangerschapswens.

Hierbij worden twee dosissen aanbevolen met een tussentijd van ten minste 4 à 6 weken.

In tegenstelling tot kinderen, bij wie de anamnese met betrekking tot varicella meestal betrouwbaar is, blijkt dat ongeveer 90 % van de personen ouder dan 17 jaar, die menen varicella niet te hebben doorgemaakt, toch antilichamen hebben. Aangezien de analyse van antistoffen gratis is voor de patiënt en tien maal minder duur is dan de prijs van twee dosissen vaccin, verdient het de voorkeur een serologische analyse uit te voeren vooraleer tot de vaccinatie over te gaan.

Zoals elk levend verzwakt vaccin is het varicellavaccin gecontra-indiceerd bij patiënten met een cellulaire immuunsuppressie en tijdens de zwangerschap; zwangerschap wordt best vermeden tot 1 maand na vaccinatie.

Wanneer een gevaccineerde persoon een post-vaccinale huiduitslag vertoont, moet deze contact met immuungecompromitteerde patiënten vermijden.

Ongewenste effecten

De vaccins worden doorgaans goed verdragen. De meest gemelde ongewenste effecten zijn: pijn en erytheem ter hoogte van de injectieplaats (1/3); varicelliforme (2 %) of mazelenachtige (2-6 %, meer bij tetravalent vaccin) eruptie na vaccinatie.

De belangrijkste systemische bijwerking na vaccinatie is koorts. Laaggradige koorts komt vaker voor wanneer het tetravalent vaccin gebruikt wordt in vergelijking met gelijktijdige maar aparte toediening van het MBR- en varicellavaccin: er werd bovendien een verhoogd risico op koortsconvulsies vastgesteld in de 7 tot 10 dagen na toediening van de eerste dosis van het tetravalent vaccin bij kinderen van 12-23 maanden, met name bij 7-9/10 000 kinderen die het MBRV-vaccin toegediend kregen versus bij 3-4/10 000 kinderen die gelijktijdig maar apart MBR- en varicellavaccin kregen. Het gaat hier om 1 bijkomend geval van koortsstuipen per 2 300 dosissen MBRV. Dit verhoogd risico op koortsconvulsies na het tetravalent MBRV-vaccin is niet meer aanwezig wanneer het aan kinderen ouder dan twee jaar gegeven wordt.


voor het volledige advies: zie de website van de HGR

Ander nieuws

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4