Suggestiemenu

Gebruikerswaardering:  / 0
ZwakZeer goed 

Het Staatsblad van 30 december 2011 publiceert de eerste fiscale begrotingsmaatregelen met de wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011. De wet is ‘revolutionair’ omdat het een principiële aangifteplicht van roerende inkomsten invoert en het fiscaal principe dat roerende inkomsten niet moeten worden aangeven in de jaarlijkse belastingaangifte afschaf. Hierna vindt u een korte toelichting.

Belastingverhoging naar 21%

Vanaf 1 januari 2012 is het belastingtarief voor de interesten en dividenden die voorheen belastbaar waren aan 15% verhoogd tot 21%.

Uitzonderingen

Voor de interesten en dividenden die voorheen belastbaar waren aan 25% verandert er niets en blijven ze belastbaar aan 25%.

De zgn liquidatieboni (roerende inkomsten uit een vennootschap die wordt ontbonden) blijven belastbaar aan 10% en ondergaan geen belastingverhoging in tegenstelling tot de zgn inkopen voor eigen aandelen die thans belastbaar zijn aan 21%.

De spaarrekeningen blijven ook onaangeroerd. De interesten van gereglementeerde spaarrekeningen blijven belastbaar aan 15%. De vrijstelling van de eerste schijf van 1.830 € per persoon en per jaar blijft ook behouden. Let wel, de vrijstelling geldt uitsluitend voor gereglementeerde spaarrekeningen bij een Belgische bank. Buitenlandse spaarrekeningen genieten dus geen vrijstelling!

Inkomsten uit Staatsbons uitgegeven tijdens de periode van 24 november 2011 tot 2 december 2011 en waarop tijdens dezelfde periode werd ingeschreven zijn ook belastbaar aan 15%. Deze uitzondering had voornamelijk tot doel om de succesvolle uitgifte van de zgn Leterme-staatsbons in het najaar van 2011 niet in het gedrang te brengen.

Tot slot, alle andere roerende inkomsten (bijv. inkomsten uit de cessie van auteursrechten) blijven belastbaar aan 15%.

Bijkomende heffing van 4%

Bovenop de verhoging van 15% naar 21% wordt er een bijkomende heffing ingevoerd van 4% indien de jaarlijkse interest- en dividendinkomsten van de belastingplichtige meer dan 20.020 € bedragen. De bijkomende heffing van 4% wordt geheven op de interest- en dividendinkomsten die 20.020 € te boven gaan.

Keuze van de belastingplichtige

De belastingplichtige heeft de keuze tussen ofwel de onmiddellijke inhouding van de bijkomende heffing van 4% op de interest- en dividendinkomsten ofwel de inhouding van 21% zonder de bijkomende heffing van 4%. Indien de 4% niet onmiddellijk wordt ingehouden dan zal het inkomen worden gecommuniceerd aan een centraal aanspreekpunt. Indien uit de gegevens van dit centraal aanspreekpunt blijkt dat de belastingplichtige meer dan 20.020 € inkomsten heeft genoten dan zal de fiscus hierover automatisch worden ingelicht zodat de belastingplichtige niet anders kan dan zijn roerende inkomsten aan te geven in zijn jaarlijkse belastingaangifte zodat hij de bijkomende heffing van 4% betaalt…

Geen ‘bevrijdende’ roerende voorheffing meer!

Alle roerende inkomsten die zijn verkregen tot eind 2011 zijn vrijgesteld van de jaarlijkse aangifteplicht indien ze de uitbetaling belast zijn geweest via de inhouding van een roerende voorheffing, dit is de zgn ‘bevrijdende’ roerende voorheffing. De aangifte van de roerende inkomsten is enkel voordelig indien de belastingplichtige geen of weinig belastbare inkomsten heeft en dus de ingehouden roerende voorheffing geheel of gedeeltelijk kan recupereren (bijv. studenten, gepensioneerden, …).

Vanaf 2012 is er een fiscale ‘revolutie’. De roerende inkomsten die zijn verkregen vanaf 1 januari 2012 moeten in de regel worden aangegeven in de jaarlijkse belastingaangifte zelfs indien ze reeds een roerende voorheffing hebben ondergaan. Op de nieuwe aangifteplicht bestaat een uitzondering, namelijk voor de interesten en dividenden die een roerende voorheffing van 25% hebben ondergaan.

Nog veel onduidelijkheden…

De praktische uitvoering van de nieuwe fiscale regels zal niet eenvoudig zijn. Zo kan men zich bijvoorbeeld de vraag stellen hoe de financiële instellingen de roerende inkomsten gaan communiceren aan het centraal aanspreekpunt wanneer een rekeninghouder gehuwd is. Moet de financiële instelling dan niet weten onder welk huwelijksstelsel hij gehuwd is (scheiding van goederen, wettelijk stelsel, …)?

Zullen de eerste schijven van de interesten op gereglementeerde spaarrekeningen worden meegedeeld aan het centraal aanspreekpunt? De logica zou deze vraag positief beantwoorden. Immers, de Regering Di Rupo wil de ‘fraude met spaarboekjes’ (waarbij het kapitaal wordt gespreid over meerdere spaarboekjes om telkens te kunnen genieten van de vrijstelling van de eerste schijf) stopzetten. Echter, volgens bepaalde bronnen zouden de eerste schijven niet meegedeeld worden aan het centraal aanspreekpunt.

Nog veel onduidelijkheden die zo snel mogelijk moeten worden opgelost met concrete uitvoeringsmaatregelen van de regering.

Gregory Henin
SBB Accountants & Adviseurs
www.sbb.be

U moet aangemeld zijn om reacties te kunnen plaatsen.