Minister van Sociale Zaken, Laurette Onkelinx, organiseerde op 11 maart 2010 een rondetafel met de artsen over het zorgwekkend gebruik van geneesmiddelen in de woonzorgcentra. De aanleiding is het sterk gestegen gebruik van geneesmiddelen in 2008 en de toegenomen kostprijs ervan.
De minister benadrukte dat de stijging voor een deel het gevolg is van de vergrijzing van de bevolking, maar ook van bepaalde ontsporingen, met name de toenemende consumptie van antidepressiva. Ze hoopt op korte termijn enkele voorstellen te kunnen doen.
Samen met velen, waaronder de voorzitter van Domus Medica en BVVG-Crataegus, werd ook Cra-domus op deze middagvergadering uitgenodigd.
Het probleem van overdreven gebruik van psychope farmaca bij kwetsbare ouderen is de CRA’s heel goed bekend.
De Phebe-Studie heeft reeds eind 2005 wetenschappelijk aangetoond dat de toestand onrustwekkend is.
Als oplossing horen we altijd dat ‘de (huis)artsen beter moeten worden opgeleid’.
Aan kennis bij de CRA’s, bezoekende huisartsen, geriaters, psychiaters, geneesheren-specialisten ontbreekt het nochtans niet.
‘De (huis)artsen’ kennen goed genoeg alle nadelen die aan het gebruik van psychofarmaca bij bejaarden kleven. Maar in de praktijk is het blijkbaar onhaalbaar om in het voorschrijfgedrag bij dat soort farmaca telkens een einddatum of tenminste een evaluatiedatum in te bouwen. Neuroleptica, benzo’s en antidepressiva worden gestart, zonder daarna systematisch bij elk herhaalvoorschrift na te gaan of het farmacon ook effectief en efficiënt is of blijft. En als dat niet zo is, het farmacon ook lege artis te durven stoppen. De kennis is er, de attitude ontbreekt.
Te gemakkelijk gaan we als artsenkorps in op vragen van de patiënt zelf of van de omgeving, en passen we aandoeningsgerichte aanbevelingen toe op groepen waar ze niet bestudeerd werden. In de groep van kwetsbare bejaarden ontbreekt het aan onderzoek en worden aanbevelingen gebruikt vooral gebaseerd op autoriteit meer dan op evidentie. Cijfermatig krijgen we geleidelijk aan de bewijzen dat alleen het aantal farmaca al een specifieke daling veroorzaakt van de overlevingsduur, los van de pathologie of de preventie waarvoor ze gegeven worden.
Het is een euvel dat helemaal niet kenmerkend voor huisartsen is, maar dat ons hele korps besmet.
Wat vele CRA’s aan irrationele medicatielijsten zien waarmee bewoners uit de geriatrische ziekenhuisafdeling ontslagen worden, grenst soms aan het ongelofelijke.
Als geriaters hun voorbeeldfunctie in daden niet opnemen (lippendienst genoeg nochtans), hoe wil je dan dat huisartsen de verantwoordelijkheid in hun plaats nemen om wél een rationeel medicatiebeleid uit te voeren?
Daarnaast zal de minister ook moeten toegeven dat de druk vanuit de maatschappij om met onvoldoende mankracht toch voor een medicatie-arme kwaliteitsvolle zorg te gaan, verantwoord is, maar dan liefst gepaard zal gaan met een betere niet-medicamenteuze omkadering en met meer beleidsdurf en -moed dan nu gebeurt.
Ondanks het ontbreken van enige evidentie over het nut van cholinesteraseremmers in een RVT, worden ze in die setting toch massaal voorgeschreven en gebruikt. Durf als overheid de terugbetaling van cholinesteraseremmers aan RVT bewoners te verbieden en creëer met het vrijgekomen geld de functie van een referentieverpleegkundige dementie. Verschillende doelstellingen zullen meteen samen gerealiseerd zijn (besparing, kwaliteitsverhoging, volgen van de KCE aanbevelingen).
Als we zien hoe in de thuiszorg en thuisvervangende zorg de wondzorg zo enorm met mijlenstappen is vooruitgegaan sinds de invoering van een referentieverpleegkundige wondzorg, werkend met technieken en kennis uit de thuiszorg en niet uit de ziekenhuiszorg, en als we zien hoe één verpleegkundige met interesse en (thuiszorggerichte) vorming in de aanpak van dementie in een RVT het verschil op elk verdiep kan maken, dan is het bijna misdadig om als overheid geld te blijven geven aan terugbetaling van compleet onnuttige farmaca, en het vrijgekomen geld niet te willen besteden aan wat bewezen wél helpt.
Rudy Faelens, 11 maart 2010